Archief

SJEMOT

DE GEBOORTE VAN MOSJÉ

Toen Par’o zijn afschuwelijk bevel gaf om alle pasgeboren jongetjes in de rivier te verdrinken, was iedereen radeloos van angst. Iedereen die in Egypte woonde, probeerde iets te bedenken om zijn kind te redden. [i]Ook Amram, die één van de belangrijkste leiders van de Joden in Egypte was, dacht veel na over hoe het wrede gebod van Par’o kon voorkomen worden of hoe minstens enkele kinderen gered zouden kunnen worden.

Toen Amram geen oplossing vond, wendde hij zich tot Jochewed, zijn vrouw en zei tegen haar: „Vrouw, waarom zou je nog kinderen krijgen. Hoewel je een fantastische vrouw bent, wanneer Par’o opdracht geeft om al de pasgeboren jongetjes in de rivier te gooien, dan is het beter als wij vanelkaar scheiden zodat je geen kinderen meer zult krijgen die alleen maar gedood zullen worden.”

Zoals reeds gezegd, Amram was één van de leidende figuren van de Joden in Egypte en hij wist dat vele mannen zijn voorbeeld zouden volgen en van hun vrouwen zouden scheiden, opdat geen onschuldig bloed zou vloeien.

Amram had een dochter, Miriam, die zes jaar oud was toen haar vader Amram van haar moeder, Jochewed, scheidde. [ii]Nu kwam Miriam naar haar vader toe en zei tegen hem: „Papa, dat is niet goed wat je nu doet, dat je van mamma scheidt.”

„Waarom niet, mijn kind?” vroeg Amram haar.

Miriam antwoordde: „Omdat de slechte Par’o alleen een doodsvonnis heeft uitgesproken over de jongetjes en ik ben ervan overtuigd dat Hasjem zijn vonnis verbreekt en dat de verordening wordt opgeheven. En bovendien, vader, u heeft er nog een doodsvonnis aan toegevoegd, een doodsvonnis voor de meisjes. Want als u scheidt van moeder zult u er de oorzaak van zijn dat ook vele andere mannen van hun vrouwen zullen scheiden. En u, vader, u bent een Tsaddiek - een rechtvaardig man - en wat u instelt zal zeker worden opgevolgd, want wat een tsaddiek beslist, dat voert Hasjem uit.”

[iii]En Miriam ging verder en zei: „En daarom, mijn lieve vader, is het beter wanneer u weer met mamma trouwt en ik verzeker u dat zij voor u in de toekomst een zoon zal krijgen die Israël zal redden.”

Amram luisterde naar de woorden van zijn dochter Miriam en sprak: „Hoewel je nog maar klein bent, mijn kind, ben je reeds wijs en een profetes: je woorden zijn waar.”

Zo keerde Amram terug en trouwde voor de tweede maal met Jochewed.

Na enige tijd werd Jochewed zwanger en kreeg een lief zoontje, [iv]dat reeds besneden ter wereld kwam. Dat bewees dat hij een groot geleerde zou worden. Toen de kleine geboren werd, vulde het huis zich met een helder licht, een heel speciaal en wonderlijk licht.

[v]Toen Amram dat bijzondere licht zag, waarin zijn huis gehuld werd bij de geboorte van de kleine en toen hij zag dat het kind reeds besneden was, werd hij heel erg blij. Hij kustte zijn dochtertje Miriam en zei tegen haar: „Mijn klein wijs kind, zie, je profetie is uitgekomen!”

Ook Jochewed, de moeder van Miriam en van haar kleine broertje was heel erg blij om de baby die zij gekregen had. Maar zij was ook erg bang en vreesde dat de slechte Egyptenaren naar haar huis zouden komen en haar zoontje zouden mee nemen om hem te laten verdrinken in de rivier.

[vi]Daarom verstopte Jochewed de baby in een kleine grot onder de grond. Daar, onder de grond leefde het zoontje van Amram en Jochewed gedurende drie maanden.

[vii]Na drie maanden besloot Jochewed dat de grot geen veilige schuilplaats meer bood, maar zij kon het kind ook niet in haar huis verbergen, want zij wist dat de Egyptenaren zouden komen en overal zouden zoeken. Zij wisten immers dat zij een kindje gekregen had, want zij hadden gezien dat zij zwanger was. En als de Egyptenaren de pasgeboren baby niet zouden vinden, dan zouden zij een ander kind nemen en dat net zolang slaan totdat de baby die verborgen was, zou gaan huilen. En dan zouden zij hem toch vinden en in de rivier gooien.

Amram en Jochewed probeerden een veiliger onderduikplaats te vinden voor de baby en tenslotte bedachten zij een uitstekend idee. Jochewed nam een klein mandje en bestreek dat aan de buitenkant met pek, zodat het water er niet in zou komen. Maar van binnen deed ze geen pek, opdat haar lieve en brave zoontje niet die afschuwelijke geur van de pek zou hoeven te ruiken. In dat mandje legde zij haar zoontje van drie maanden oud en bracht hem naar de rivier. Daar legde zij hem tussen het oeverriet en keerde naar huis terug, in de zekerheid dat Hasjem hem wel zou redden.

[viii]Miriam wilde graag weten wat er met haar broertje zou gebeuren. Daarom bleef zij op een veilige afstand staan kijken en verborg zij zich tussen het riet om te zien of hij gered zou worden en of haar profetie, dat hij de redder van Israël zou worden, ook uit zou komen.

Plotseling zag zij Batja, de dochter van Par’o komen met haar dienstmeisjes. Batja ging in de rivier baden, terwijl haar dienstmeisjes op de kant bleven wachten.

Miriam bleef geduldig wachten en kijken en daar zag zij hoe Batja plotseling het mandje van haar broertje in het riet ontdekte.

„Kijk nou toch,” riep Batja naar haar dienstmeisjes, „[ix]daar tussen het riet ligt een klein mandje - daar ligt vast een babytje in, gaat toch eens kijken, meisjes en breng het mandje bij mij zodat ik het babytje kan redden.”

Maar de dienstmeisjes zeiden tegen haar: „Hoe durft u dat kleine kindje te redden? Uw vader, de koning, heeft toch geboden dat alle babytjes die in Egypte geboren zijn, in de rivier gegooid moeten worden. U bent zijn dochter, u moet hem zeker gehoorzamen.”

Maar Batja wilde zo graag het babytje redden, dat daar in dat mandje in het riet lag, dat zij, zonder verder nadenken, haar hand uitstak naar het mandje, alsof zij het zo kon pakken. Maar wat was dat? Er gebeurde een wonder! Haar arm werd plotseling langer en langer totdat hij wel [x]zestig el lang was. Nu kon Batja zelf het mandje uit het riet halen. Zij maakte het open [xi]en daar voor haar ogen lag een lief klein en teer babytje. Wat was hij mooi en wat straalde hij schitterend het licht van de Sjechiena uit!

Het kindje lag daar in zijn mandje en huilde hartverscheurend en zijn huilen verscheurde het hart van Batja en zij kreeg enorm medelijden met dat kleine babytje daar in dat mandje. Ze zei bij zichzelf: „Hij heeft vast honger, dat kleintje, ik zoek een vrouw voor hem die hem wil voeden.”

Batja nam het kindje op en noemde hem Mosjé, omdat zij hem uit het water had geschept - want masja betekent in het hebreeuws: uit het water scheppen. Zij ging er mee naar verschillende egyptische vrouwen en vroeg hen of zij de baby wilden voeden. Dat wilden die egyptische vrouwen wel, maar zodra zij hem wilden voeden, gaf HaKadosj Baroech Hoe aan Mosjé een ingeving om niet te willen eten, want zo zei Hij: „Wie in de toekomst met Mij moet spreken, kan geen eten aannemen van de Egyptenaren.”

Dus weigerde Mosjé het eten van de Egyptenaren. Miriam, die zich al die tijd verborgen had gehouden achter het riet, kwam nu te voorschijn en zei tegen Batja: „Ik zie, Koninklijke Hoogheid, dat het kindje dat u in uw armen heeft, weigert te drinken bij een Egyptische vrouw. Wilt u misschien dat ik een joodse vrouw breng om het kindje te voeden?”

„Ja, dat is een goed idee,” antwoordde de prinses verheugd, „doe dat maar.”

Miriam rende naar haar moeder, Jochewed en zei: „Kom snel, mamma! Prinses Batja, de dochter van de koning zoekt een joodse vrouw die ons kleine broertje, Mosjé, wil voeden. Hij weigert eten aan te nemen van de Egyptische vrouwen!”

Reeds holde Jochewed naar Batja om haar eigen zoontje Mosjé te kunnen voeden.

Toen Batja zag dat Mosjé wel van de joodse vrouw wilde eten, zei ze tegen haar: „Lieve vrouw, wil je dit kleine jongetje mee nemen naar je huis en hem verzorgen, totdat ik zal komen en hem zal meenemen?” Nou, je begrijpt wel wat Jochewed daar op antwoordde.

„In dat geval,” vervolgde Batja, „ga heen en neem het kind mee en wanneer ik kom om het kind mee te nemen zal ik je royaal belonen.”

[xii]Jochewed nam het kind op er ging ermee naar huis en verzorgde hem met al haar liefde en overgave. Zo verliepen er een aantal jaren en toen kwam Batja, de dochter van Par’o, om het jongetje op te halen, want nu had hij geen moeder meer nodig. Zij nam hem mee naar het paleis van de koning en daar werd hij opgevoed alsof hij de kleinzoon van de koning en de zoon van Batja was.

[xiii]Op een dag zat de hele familie van Par’o bijelkaar aan tafel. Rechts van Par’o zat zijn vrouw, de koningin, links van de koning zat Batja, zijn dochter - en naast haar zat kleine Mosjé van twee jaar. En verder zaten er rondom de grote tafel al de raadslieden van de koning en de mensen van zijn hofhouding.

Plotseling ging Mosjé naar de koning, pakt de kroon van diens hoofd en zette hem bovenop zijn eigen kleine hoofd. Toen de raadslieden van de koning dat zagen schrokken zij enorm en zeiden: „Mijnheer de Koning, dat is een ramp! Wanneer zo’n klein kind de kroon van het hoofd van Zijne Koninklijke Hoogheid, onze Koning, kan nemen en op zijn eigen hoofd kan zetten, dan is hij vast en zeker dat kind dat in de toekomst het volk Israël uit Egypte zal verlossen. Wanneer u dat wilt voorkomen, Sire, moet u hem onmiddellijk laten doden.”

Iedereen stemde er onmiddellijk mee in dat Mosjé gedood moest worden. Slechts één raadsheer stond op en sprak: „Hoogheid, ik ben het niet met mijn geachte collega’s eens. Ik geloof dat het kind de kroon alleen heeft afgenomen omdat hij zo mooi fonkelt, dat vond hij erg mooi. Daarom adviseer ik dat wij voor Mosjé twee schotels neerzetten, de één gevuld met gouden munten - en in de ander doen wij gloeiende kolen. Daarna zeggen wij tegen Mosjé dat hij mag nemen van welke schotel hij wil. Wanneer het kind een gouden munt neemt, dan is dat een teken dat hij heel goed weet wat de betekenis en waarde daarvan is. Maar wanneer hij zijn hand uitsteekt naar de gloeiende fonkelende kooltjes, dan is het duidelijk dat hij niet weet wat dat allemaal is en dat hij zich niet anders gedroeg als ieder ander klein kind toen hij de kroon van het hoofd van onze koning nam.”

„Dat vind ik een goed advies, ” sprak de koning, „zo zullen wij doen.” De dienaren van Par’o brachten twee schotels voor Mosjé - de ene met gouden munten en de tweede - met gloeiende kolen.

„Neem maar van welke schotel je wilt!” zeiden de dienaren tegen Mosjé. Mosjé wilde van de gouden munten nemen, maar op dat moment daalde de engel Gabriël uit de Hemel neer en schoof het handje van kleine Mosje naar de schotel met de gloeiende kolen. Onmiddellijk brandde hij zijn handje aan de kolen en hij stak zijn hand snel in zijn mond en zo verbrandde hij ook zijn mond. Daardoor kwam het dat Mosjé voortaan altijd zou stotteren en dat hij niet goed en duidelijk kon praten.

Toen de Egyptische wijsgeren dat zagen besloten zij allen eenstemmig dat Mosjé niet gedood hoefde te worden omdat het maar kinderspel was geweest toen hij de kroon afnam van het hoofd van de koning.

Toen Batja hoorde dat Mosjé niet gedood zou worden, was zij heel erg blij en ging zij verder om met liefde en overgave haar pleegkind op te voeden alsof het haar eigen kind was.

Zo groeide Mosjé op [xiv]en hij was geliefd bij alle mensen in het paleis, totdat Par’o hem aanstelde tot een belangrijke minister. Maar ondanks dat Mosjé nu een belangrijke minister in Egypte was, ging hij er toch elke dag opuit om zijn joodse broeders op te zoeken, om hun klachten aan te horen en om te proberen hen aan te moedigen. Toen Mosjé het lijden van zijn broeders zag, besloot hij hen te helpen. Hij ging naar Par’o en zei: „Majesteit! Mijnheer de Koning! Ik zag mijn broeders, de Israëlieten en hoe hard zij moesten werken. Zij hebben zelfs niet één rustdag in de week. Onze Koning weet natuurlijk ook wel, dat als men een slaaf nooit rust gunt, dan gaat hij dood!”

En Mosjé vervolgde en sprak: „Daarom adviseer ik u dat u de Joden de zevende dag geeft als een rustdag, waarop zij niet hoeven te werken. Ik ben er van overtuigd dat zij dan beter zullen werken.”

„Je hebt gelijk,” sprak Par’o, „ga naar de Egyptische politiemannen en zeg hen dat ik bevolen heb dat de Joden op Sjabbat vrij zijn.”

De Isrëlieten waren natuurlijk vreselijk blij en gelukkig dat zij één dag in de week kregen waarop zij niet hoefden te werken.

Op een dag ging Mosjé weer naar zijn joodse broeders, zoals gewoonlijk, die heel hard aan het werk waren [xv]en daar zag hij hoe één van de egyptische politiemannen uit alle kracht een joodse arbeider sloeg. De klappen waren zo hard, dat Mosjé vreesde dat de arme joodse man er onder zou bezwijken als hij hem niet onmiddellijk zou redden van die booswicht.

Mosjé besloot de Egyptenaar te doden. Mosjé keek links en rechts om zich heen, om te zien of niemand hem zag en toen niemand op hem lette doodde hij de Egyptenaar en begroef hem in de grond.

De volgende dag keerde Mosjé terug naar zijn joodse broeders maar nu zag hij twee Joden, [xvi]Datan en Avieran, die aan het vechten waren. Eén van de mannen hief zijn hand al op om de ander een klap te geven, toen Mosjé naderbij kwam en zei: „Deugniet, waarom sla jij je collega?” Hieruit leren wij dat ieder die iemand anders slaat, die is een deugniet, een slecht mens.

Maar de [xvii]deugniet antwoordde Mosjé: „Doe niet zo bazig tegen ons, wij weten heus wel dat jij de zoon van Jochewed de Jodin bent, en niet de zoon van Batja, de dochter van de koning. En wij weten ook dat je gisteren een egyptische politieman hebt gedood en we zullen dat ook aan Par’o vertellen.”

En inderdaad [xviii]gingen Datan en Avieran naar Par’o en zeiden tegen hem: „Mijnheer de Koning, u moet weten dat Mosjé gisteren een egyptische politieman heeft gedood en hem in de aarde heeft begraven.”

Par’o werd geweldig kwaad op Mosjé en hij gebood zijn bedienden: „Neem een heel scherp zwaard en dood daarmee Mosjé.” De dienaren van Par’o gingen op weg om Mosjé te vermoorden maar Hasjem verrichtte voor Mosjé een groot wonder: zijn nek werd plotseling van marmer, zodat de dienaren van Par’o hem niet konden doden. Maar toen Mosjé begreep dat Par’o hem wilde laten doden, vluchtte hij uit Egypte (toen hij twaalf jaar oud was) [xix]zonder te weten waarheen.

ó   ó   ó

Mosjé En De Brandende Doornstruik

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i].  Sotah 12.

[ii].  Sjemot Rabbah 1:17

[iii].  Bamidbar Rabbah 13: 19

[iv].  Sjemot Rabbah 1:24

[v].  Sjemot Rabbah 1:25

[vi].  Pirkei de Rabbi Eliëzer

[vii].  Sjemot Rabbah 1:24

[viii].  Sjemot Rabbah 1:25

[ix].  Sotah 12.

[x]. Rabbeinoe Bachia

[xi]. Sota 12.

[xii]. Sjemot Rabbah 1:31

[xiii]. Sefer Hajasjar, Jalkoet en Sjemot Rabbah 1:31

[xiv]. Rasji 2:11, Sefer Hajasjar en Sjemot Rabbah 1:32

[xv]. Rasji 2:11

[xvi]. Sjemot Rabbah 1:34

[xvii]. Sjemot Rabbah1:35

[xviii]. Sjemot Rabbah 1:36

[xix]. Ramban 2:23