Archief

KIE TISSA

Het Gouden Kalf

13Echter, dat kalf was niet zomaar een gouden kalf. Het kon praten! Toen Israël dat zag, waren zij ervan overtuigd dat dit gouden kalf hen voortaan zou leiden. Onmiddellijk besloot iedereen dat men hiervoor offers moest brengen.

14Maar Aharon probeerde een nieuwe list om het volk ervan te weerhouden om het kalf te aanbidden. Hij dacht bij zichzelf: „Wanneer ik tegen het volk zeg dat het niet gepast is om offers te brengen zonder altaar en als ik hen dan ook zeg dat ik eerst een altaar wil bouwen, dan wordt de zaak voldoende tijd uit­gesteld en intussen keert Mosjé vast en zeker terug.”

Dus wendde Aharon zich tot het volk en zei: „Volk van Israël, ik adviseer jullie om nu geen offers voor het kalf te brengen, want het is niet gepast offers te brengen zonder altaar. Daarom zal ik eerst een altaar bouwen, dan kunnen wij daarna daar de offers op brengen.”

Daar was heel het volk mee eens en iedereen wilde Aharon helpen om een altaar te bouwen. Maar Aharon wist wel, dat als heel het volk hem daarbij zou helpen, het altaar veel te snel klaar zou zijn. Daarom zei hij: „Nee, nee! Help mij nu maar niet met de bouw van dat altaar, want dat is niet zoals het hoort als iedereen maar helpt bij de bouw daarvan.”

Het volk stemde daarmee in en zo begon Aharon in zijn eentje aan de bouw van het altaar. Vele uren lang werkte Aharon hard aan de bouw ervan, totdat de avond viel en het altaar op een heuvel klaarstond. 15Toen keerde Aharon zich tot heel het volk en zei: „Volk van Israël, jullie zullen het ongetwijfeld met mij eens zijn dat het ongepast is om voor dit gouden kalf ’s avonds te offeren. Want dan zal iedereen zeg­gen dat wij ons gedragen als de dieven, die immers ’s avonds erop uitgaan om te stelen. Het is daarom beter dat wij nu allen gaan slapen en morgenochtend, wanneer jullie opstaan, zullen wij feest vieren ter ere van Hasjem, onze G-d!”

Iedereen ging braaf naar bed en Aharon was natuurlijk heel blij dat alles tot nu toe goed verlopen was. Hij had tenslotte toch kunnen vermijden dat Israël de afgod zou dienen, want hij overwoog bij zichzelf, dat tegen de tijd dat Israël de volgende ochtend zou opstaan, Mosjé vast en zeker zou zijn teruggekeerd.

Maar toen ging de Satan er zich weer mee bemoeien en dat had tot gevolg dat alle moeite en inspanning van Aharon hem niets zouden helpen. 16De volgende ochtend stond de Satan vroeg op en wekte onmiddellijk heel het volk. Iedereen, behalve de stam Levi, verzamelde zich rondom het gouden kalf en reeds begonnen zij rond het kalf te dansen en er offers voor te brengen op het altaar. Aharon zag wel wat er gebeurde, maar hij was niet in staat er wat aan te doen.

HaKadosj Baroech Hoe zag wat Zijn kinderen gedaan hadden en werd enorm kwaad dat Israël zulk een ernstige zonde durfde te begaan. Daarom zei Hij tegen Mosjé: „17Ga naar beneden, Mosjé, want nu hebben zij zich zó misdragen dat zij zelfs over de drie ernstigste misdrijven zijn gestruikeld: zij hebben mij verloochend, zij hebben zich een kalf gegoten waar­voor zij offers brengen en zij geloven ook nog dat dit beest hen uit Egypte heeft geleid met sterke hand en met uitgestrekte arm en al die wonderen voor hen gedaan heeft in Egypte en in de woestijn. Het is een hardnekkig volk, dat volk van Israël. Het is niet bereid vermaningen aan te nemen van iemand.”

En HaKadosj Baroech Hoe vervolgde: „Maar wanneer je Mij nu mijn gang laat gaan, dan zal Ik hen straffen op Mijn manier, dan zullen zij geheel van de aardbodem verdwijnen en van jou maak Ik een groot en machtig volk.”

18Toen Mosjé de eerste woorden van Hasjem hoorde, werd hij helemaal wanhopig, omdat hij vreesde dat zijn gebeden voor Israël niets uitgehaald hadden. Maar toen hij hoorde dat Hasjem zei: „Laat Mij Mijn gang gaan,” ontwaakte in hem een nieuwe hoop en hij dacht bij zichzelf: ‘Als Hasjem mij vraagt hem Zijn gang te laten gaan, dan helpt mijn gebed misschien als Ik hem niet Zijn gang laat gaan.’

19En verder bedacht Mosjé nog: ‘Het is vast beter als ik eerst dat kalf vernietig en pas daarna voor Israël bid.’

Daarom greep Mosjé de Troon van Hasjem en begon te bidden en te smeken om erbarmen en mede­lijden van Hasjem: „Heer der wereld,” zo begon hij, „wat heb ik nu aan Uw belofte dat U mij tot een volk wilt maken. Zie toch, zelfs de verdiensten van de drie aardsvaders, Awraham, Jitschak en Ja’akov waren de Israëlieten niet van nut want zij hebben toch gezon­digd. Hoe kan dan de verdienste van slechts één mens een heel volk overeind houden?”

20Eerst begon Mosjé de verdiensten van Israël op te noemen maar toen Hasjem niet wilde toegeven, pro­beerde Mosjé het op een andere manier: 21„Barm­hartige G-d, wanneer U het volk Israël zou doden, dan zullen de Egyptenaren zeggen dat hun profetie is uit­gekomen. Want de Egyptenaren hadden een rode ster gezien, die zij als een voorbode van bloedvergieten zagen, namelijk de dood van de Israëlieten in de woes­tijn. En nu, Heer der wereld, wanneer de schrift­geleerden en tovenaars van Egypte zouden zien dat U het volk Israël zou ombrengen, dan zouden zij zeggen dat hun kracht groter is dan Uw kracht. Heer der wereld, herinnert U toch de verdiensten van de drie voorvaders, want U had hen beloofd dat U hun heel veel nakomelingen zou geven, zoveel als het zand van de zee en als de sterren aan de hemel. En U heeft hen ook beloofd dat U hun nakomelingen het land Kena­aan zou geven (dat is Israël) als erfenis. En nu, Hasjem, indien U Uw kinderen ombrengt, hoe kunt U dan die belofte aan de aardsvaders nakomen?”

22Zo stond Mosjé gedurende lange tijd te dawenen voor HaKadosj Baroech Hoe en vroeg hij van Hem er­barmen, totdat Hasjem zag hoeveel moeite Mosjé legde in zijn tefillah. En Hasjem hoorde de argumen­ten aan van Mosjé en tenslotte vergat Hasjem Zijn boosheid en vergaf Hij Israël zijn misdaad en besloot Hij hen niet te straffen.

Toen Mosjé zijn tefillah geëindigd had, nam hij de twee Stenen Tabletten op en daalde er mee de berg af.

23Onderaan de voet van de berg ontmoette Mosjé zijn trouwe leerling, Jehosjoe’a, die daar al de dagen dat Mosjé op de berg en in de hemel was geweest, op hem had gewacht. Hij wist niet wat er in het kamp van Israël gebeurd was. „Mijn meester, wat zijn dat voor geluiden die ons uit het legerkamp tegemoet komen?” vroeg hij, „het lijken wel oorlogs­kreten?”

„O nee”, antwoordde Mosjé, „dat zijn geen oor­logs­kreten, dit is geen over­winningsgezang en ook geen gejammer van verliezers van een oorlog. Het is een geluid dat mij bezorgd maakt.” En samen gingen zij verder, Jehosjoe’a en Mosjé, totdat zij aankwamen bij het kamp van de Israëlieten en zij met hun eigen ogen zagen wat voor afschuwlijks er was aangericht. Bij beiden laaide de woede hoog op toen zij zagen hoe heel het volk (behalve de stam Levi) danste rondom het gouden kalf.

24„Hoe kan ik nu aan dit volk de Tora geven, waarin staat dat zij geen afgoden mogen aanbidden, terwijl dat precies is wat zij nu doen,” zei Mosjé tegen Jehosjoe’a en laaiend van woede gooide Mosjé de stenen op de grond, waar zij in stukken braken.

Pas nu ging Mosjé het kamp in en het eerste wat hij deed was het gouden kalf pakken, dat hij in het vuur wierp. Vervolgens wreef hij het gesmolten goud heel fijn tot stof en dat stof gooide hij in het water. Toen verzamelde hij heel het volk en liet hij iedereen een beetje van dat water drinken, waarin het stof van het gouden kalf vermengd was. En iedereen die gezondigd had bij het gouden kalf, zonder dat daar getuigen van waren en zonder dat iemand hem daartegen gewaarschuwd had, die werd door dat water vergiftigd en stierf.

Daarna wendde Mosjé zich tot Aharon, zijn broer, en vroeg hem: 25„Aharon, wat is er precies gebeurd?” Aharon wilde echter niets kwaads spreken over het volk en antwoordde: „Wees niet boos op dit volk, mijn heer, want zij wilden geen afgoden maken. Zij wilden slechts een nieuwe leider aanstellen, want zij dachten dat U dood was. Maar zij hebben Hasjem niet verloochend!” En Aharon vertelde aan Mosjé alles wat er de laatste uren gebeurd was.

Toen Mosjé alles gehoord had, begreep hij hoe ernstig Israël gezondigd had. Hij ging bij de poort staan en riep: „Wie voor Hasjem is, komt bij mij!” Onmiddellijk kwam heel de stam Levi bij hem staan (zoals jullie je zult herinneren hadden die niet meege­daan aan de verering van het gouden kalf). Mosjé zei tegen hun: „Vandaag moeten jullie de opdracht van Hasjem uitvoeren en ieder die gezondigd van heeft en daar zijn getuigen, die moeten jullie straffen met jullie zwaard.” En zo gebeurde het.

Nadat de leden van de stam Levi hun werk gedaan hadden kwamen zij terug bij Mosjé. Deze zei tegen hen: 26„Omdat jullie niet gezondigd hebben, verdienen jullie een bijzonder beloning: jullie krijgen het pries­ter­schap, dat eigenlijk was weggelegd voor de eerst­ge­borenen van Israël.”

27De volgende dag sprak Mosjé tot heel het volk en zei: „Luister naar mij, Israël, omdat ieder die ge­zondigd heeft met het gouden kalf, volledig berouw getoond heeft, zal ik opnieuw terugkeren naar HaKadosj Baroech Hoe en voor jullie dawenen. Want tot nu toe was het erg moeilijk voor mij om te dawe­nen, want terwijl ik voor jullie pleitte bij de Koning aller koningen, zondigden jullie rond het gouden kalf.”

En zo keerde Mosjé terug en ging weer omhoog naar de hemel om daar voor Hasjem om erbarmen te smeken:

„Heer der wereld, hoewel dit volk ernstig gezon­digd heeft en gouden afgods­beelden gemaakt heeft, kom ik tot U met het verzoek of U hen alstublieft wilt vergeven. 28Indien U hen echter niet wil vergeven, dan moet U mij maar uit Uw boeken schrappen, maar straft u hen niet!”

HaKadosj Baroech Hoe antwoordde: „Nee Mosjé, jou verwijder ik niet van de wereld, maar hen die gezondigd hebben. Ga nu terug naar het volk en zeg hen, dat vanaf vandaag niet Ik hen meer zal voorgaan en leiden, maar één van de dienstdoende engelen zal dat doen.” 29En HaKadosj Baroech Hoe voegde daar nog aan toe: „Mosjé, Ik vergeef Mijn kinderen en Ik zal hen nu niet verdelgen. Maar iedere keer dat Mijn kinderen zullen zondigen, zal Ik hen straffen voor hun misdaad en dan zullen zij ook boeten voor hun mis­daad rond het gouden kalf.”

Volgende Verhaal

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

13.  Pirkei de Rabbi Eliëzer.

14.  Rasji 32:5 en Sjemot Rabbah 41.

15.  Tsaror Hamor.

16.  Rasji 32:6.

17.  Rasji 32:7.

18.  Berachot 32a en Rasji 32:10.

19.  Sjemot Rabbah 41:12 en Eetz Joseef.

20.  Sjemot Rabbah 42:1 en Jaféh Toar.

21.  Jalkoet Sjim’oni.

22.  Jalkoet Me’am Lo’eez.

23.  Rabbeinoe Bachia 32:17.

24.  Sjabbat 87.

25.  Rasji 32:21.

26.  Zewachiem 115.

27.  Bereisjiet Rabbah 21:6.

28.  Ramban 32:32.

29.  Jalkoet Sjim’oni.