Archief

BESJALACH

DE JAMMERKLACHTEN VAN ISRAËL

Toen de Israëlieten uitgezongen waren [i]begon de zee de schatten terug te geven die de Egytenaren mee de diepten in hadden genomen, zilver, goud, edel­stenen, parels en sieraden. Onmiddellijk begon Israël die schatten te verzamelen, zoveel als zij maar in hun zakken konden stoppen.

Toen Israël klaar was met het verzamelen van de schatten van de zee, verzamelde Mosjé hen en vervolgden zij hun tocht door de grote woestijn, terwijl de wolkzuil hen overdag begeleidde en de vuurzuil ’s nachts.

[ii]Israël liep en liep, totdat zij plotseling ontdekten dat hun waterzakken bijna leeg waren. En in een woestijn zijn geen plaatsen waar je voor wat geld een heleboel water kunt kopen voor zoveel mensen. Zelfs niet een klein beetje water! Nu begon Israël zich toch zorgen te maken dat ze geen water genoeg meer zouden hebben om te drinken. Echter zij wanhoopten niet en klaagden niet, integendeel zij bleven volledig vertrouwen hebben in de Eeuwige G-d en in Mosjé en bleven verder trekken, achter de wolkzuil en Mosjé aan. Zo gingen zij verder gedurende drie dagen, terwijl zij maar weinig water nodig hadden, maar hun waterzakken waren nu helemaal leeg, geen druppeltje water konden zij daar nog uitkrijgen. Tenslotte, na drie dagen, kwam Israël aan in Mara en daar vonden zij  eindelijk een waterbron waaruit zij hun water­zakken konden vullen.

Snakkend van dorst proefden zij van het water, maar wat was dat?! Het water was bitter, niet om te drinken! Zo strafte HaKadosj Baroech Hoe hen omdat zij te lang aan de oever van de zee hadden getalmd met het verzamelen van de schatten van de Egyptenaren, in plaats van dat zij zich gehaast hadden om Mosjé te volgen om de Tora in ontvangst te nemen.

Nu kon Israël zich niet langer bedwingen. Zij gingen naar Mosjé en vroegen hem: „Rabbeinoe, wat zullen wij drinken?”

Mosjé zag de moeilijke toestand waarin Israël verkeerde en hij begon tot Hasjem te bidden, dat Hij hen zou redden en het water zoet zou maken.

HaKadosj Baroech Hoe zei tegen hem: „Mosjé, zie je dat hout daar? Gooi dat in het water, dan zal het water onmiddellijk lekker zoet worden en dan kunnen jullie het goed drinken.”

Mosjé deed wat Hasjem gezegd had en weer kon men een wonder zien gebeuren! Het stuk hout, dat zelf ook bitter was, maakte het water zoet. Nu kon Israël naar hartelust drinken en hun waterzakken en potten nog vullen ook.

Nadat Israël klaar was met drinken en eten en gerust had van de lange en zware tocht, verzamelde Mosjé hen en leerde hij het wat Tora-voorschriften en wetten. Daarna zei Mosjé tegen hen, in opdracht van HaKadosj Baroech Hoe:

„Wanneer Israël zal luisteren naar de stem van de Schepper van de wereld en wanneer zij zullen doen wat juist is in Zijn ogen en als zij alles zullen doen wat Hij hen zal opdragen, dan zal Hasjem jullie beschermen tegen alle narigheid, tegen iedere ziekte en tegen al het ongeluk dat Hij de Egyptenaren bezorgd heeft.”

Daarna stond Israël op en vervolgde zijn weg tot Elim. Daar vonden zij twaalf waterbronnen - één voor iedere stam, en zeventig dadelbomen, overeenkomstig het aantal stamoudsten.

Israël at met smaak van de dadelbomen, dronken van het water uit de bronnen totdat zij verzadigd waren en nadat zij uitgerust waren, vervolgden zij weer hun weg, totdat zij [iii]op de 31ste dag na hun uittocht uit Egypte aankwamen in de woestijn Sin. Daar ontdekten allen plotseling, dat de matsot, die zij uit Egypte hadden meegeno­men en die op miraculeuze wijze voldoende waren voor 31 dagen, nu verdwenen waren.

Nu begonnen de Israëlieten zich zorgen te maken en te vrezen dat zij van honger in de woestijn zouden omkomen. Zij gingen nu allen naar Mosjé en Aharon maar in plaats dat zij nu netjes en beleefd aan hen vroegen of zij voor hen tot Hasjem wilden bidden zodat zij voedsel zouden kunnen  vinden, kwamen zij kwaad naar hen toe en klaagden: „Het was veel beter geweest als wij in Egypte waren gebleven en daar waren gestorven, want daar in Egypte hadden wij tenminste brood en vlees in overvloed en hier in die verlaten woestijn hebben wij niets. Hier is alleen maar zand. Nog even en dan komen wij allemaal om van de honger.”

Hasjem hoorde de klachten van Israël en zei tegen Mosjé: „Zeg tegen de Israëlieten, Mosjé, dat Ik vanaf nu voor hen iedere ochtend brood zal laten regenen uit de hemel. Iedere ochtend kunnen zij naar buiten gaan en het brood, dat man heet,  inzamelen. Maar Ik zal Israël ook op de proef stellen en zien of zij alle mitswot in acht zullen nemen die met het man verband houden.”

Mosjé en Aharon verzamelden daarop het volk en vertelden hen dat Hasjem hun verzoek had verhoord en hoe Hij het iedere dag brood voor hen zou laten regenen.

Tegelijkertijd vermaanden Mosjé en Aharon hen dat zij met klachten naar hen waren toegekomen en dat zij hen niet gevraagd hadden op een beleefde manier om voor hen te bidden tot HaKadosj Baroech Hoe, dat Hij hen voedsel zou geven.

Nadat Mosjé en Aharon klaar waren met hun vermaningen, zei Mosjé tegen Aharon: „Zeg tegen de Israëlieten dat zij offers moeten brengen voor Hasjem, op de plaats waar zich de G-ddelijke wolk bevindt, uit dank dat Hasjem hun verzoek ver­hoord heeft.”

Aharon bracht de woorden van Mosjé over aan het volk en toen Aharon met hen sprak keek heel het volk in de richting van de grote woestijn en daar verscheen de Heerlijkheid  van Hasjem in een wolk en HaKadosj Baroech Hoe begon met Mosjé te praten en zei tegen hem: „Mosjé, zeg tegen de Israëlieten dat zij vanaf vandaag iedere ochtend brood en iedere avond vlees zullen krijgen. Zo zal ieder weten dat Ik Hasjem de G-d van Israël ben.”

En inderdaad, toen de zon onder ging en de nacht over de woestijn viel, daalden er kwartels neer, een soort vogel waar heel veel vlees aan zit. De Israëlieten jaagden op de kwartels en kookten hun vlees en aten dat op.

En ’s ochtends als de zon opkwam en de dauw verdampte in de eerste warme zonnestralen, ontdekten de Israëlieten op het woestijnoppervlak een flinterdun korrelig wit laagje van iets. De Israëlieten waren enorm verbaasd  toen zij dat zagen en vroegen aan elkaar „man hoe – wat is dat? „Dat is het brood dat Hasjem jullie beloofd heeft,” antwoordde hen Mosjé. Maar jullie moeten weten, dat jullie niet onbeperkt van het man mag nemen, maar ieder mag één omer nemen (dat is een bepaalde hoeveelheid).

Maar tussen het volk waren er mensen wier vertrouwen in Mosjé niet volledig was en zij waren bang dat het de volgende dag geen man zou regenen. Daarom namen zij meer dan een omer per persoon.

Daartegenover waren er enkele mensen onder de Israëlieten dat zij aan een beetje wel genoeg hadden. Zij namen minder dan een omer per persoon van het man mee.

Maar zie, weer gebeurde er een wonder! Zodra de mensen in hun tent terug kwamen, vond iedereen in zijn pan precies de hoeveelheid van één omer per persoon per familie. Ook zij die meer dan een omer hadden meegenomen en ook zij die minder hadden meegenomen.

Nadat Israël het man had verzameld, riep Mosjé weer iedereen bij zich en waarschuwde hen: „Luister goed, Israël en weet dat jullie vandaag al het man moeten opeten en er niets van tot morgen mogen overlaten, want ook morgen en alle volgende dagen zal Hasjem jullie het man bezorgen.”

Israël luisterde naar Mosjé [iv]maar twee zeer slechte mannen, Datan en Awieram waren hun namen, hadden geen vertrouwen in Mosjé en zij lieten toch wat van het man over in hun potten tot de volgende dag. Maar de volgende ochtend, toen Datan en Awieram wakker werden, waren zij zeer verbaasd te zien dat het man als een wonder was opgedroogd en vol zal met wormen.

Zo ging Israël er iedere ochtend opuit om het man te vezamelen. [v]Echter niet iedereen hoefde er zo opuit te gaan om man te verzamelen, alleen de gewone mensen van Israël moesten die moeite doen, maar de Tsaddiekiem hoefden zich helemaal niet zo in te spannen om man te verzamelen: voor hun viel het man voor de ingang van hun tent neer, zodat zij het alleen nog maar in hun potten en pannen hoefden te doen.

[vi]Zodra Israël klaar was met het verzamelen van het man, werd de zon reeds warmer en verwarmde ook het man dat  overgebleven was en dat smolt tot water en stroomde weg in watergoten en dat dronken de herten en gazellen op want die hielden van dat water omdat het de smaak van Gan ’Eden – het paradijs – had. En wanneer de heidenen op de herten en de gazellen, die van het man-water gedronken hadden, jacht maakten en hun vlees aten dan konden zij proeven hoe dat een bijzondere smaak had want het vlees had de smaak van het man aangenomen.

Als de smaak van het vlees van de herten en gazellen die van het man-water hadden gedronken al zo bijzonder was, dan begrijpen jullie dat de smaak van het man zelf wel heel fantastisch en onbe­schij­felijk moest zijn.

[vii]Tenslotte werd het vrijdag en zoals Hasjem tegen Mosjé gezegd had, daalden er die ochtend twee omer man voor iedereen neer maar omdat Mosje was vergeten tegen Israël te zeggen dat zij vandaag een dubbele hoeveelheid moesten verzamelen, verzamel­den zij ook nu allen slecht één omer per persoon. Maar wanneer bij hun tenten kwamen gebeurde er een wonder: de ene omer was veranderd in twee.

Toen de Israëlieten dat zagen, waren zij zeer verwonderd. Nu kwamen de vorsten van Israël naar Mosjé toe en vroegen hem: „Rabbeinoe, hoe komt het dat wij vandaag twee omer van het man per persoon in onze pannen  vonden in plaats van één omer?”

Mosjé stelde hen gerust en zei: „Op Sjabbat zal het geen man regenen en daarom werd dit wonder voor jullie gedaan en verdubbelde de hoeveelheid man voor jullie, één omer voor vrijdag en één omer  voor Sjabbat. En daarom, Israël, eet vandaag niet alles op, maar laat de helft over voor Sjabbat. En de omer die jullie overlaten voor Sjabbat zal niet bederven en daar zullen geen wormen in komen.”

Israël deed zoals Mosjé hen gezegd had en inderdaad op Sjabbat was het man dat was overgebleven niet bedorven en er waren geen wormen in gekomen maar het smaakte nog even vers en goed als de vorige dag.

[viii]Maar toch waren er een paar mensen die geen vertrouwen hadden in Mosjé en op de zevende dag van de week, de Sjabbat, gingen zij toch naar buiten om te zien of Hasjem inderdaad geen man had laten neerdalen, zoals Mosjé gezegd had.

Toen Mosjé Rabbeinoe dat zag ging hij naar hen toe om hen te vermanen, dat zij geen geloof hadden in de woorden van de levende G-d. Nu waren de mannen beschaamd, keerden terug naar hun tenten en nu hield heel het volk Sjabbat en verrichtte geen enkele arbeid.

Laten wij nu eens zien wat wij kunnen leren van het man: het man was rond en had de vorm van korianderzaad. Het was wit van kleur en zijn smaak was heerlijk als een honingkoekje, dat wil zeggen als het deeg dat in honing gebakken is. Het was niet glad, maar korrelig.

Nu wij weten hoe het man eruit zag, kunnen wij weer verder gaan met ons verhaal. HaKadosj Baroech Hoe wilde dat alle toekomstige geslachten het man zouden kunnen zien en zich dat zouden herinneren. Daarom gebood Hij Mosjé om tegen Aharon te zeggen dat hij een kruik moest nemen en daar één omer van het man in moest doen en dat hij dat moest leggen vóór de Ark van het verbond om het zo voor eeuwig te bewaren.

Het man bleef iedere dag neervallen gedurende alle veertig jaar dat Israël door de woestijn zwierf. Het [ix]bleef echter niet neerkomen totdat het volk het land Israël binnen ging, maar het stopte reeds eerder, namelijk op de dag dat Mosjé overleed. Op die dag gebeurde er een groot wonder voor Israël: het man dat zij reeds in hun bezit hadden en dat zich in hun potten bevond, verminderde niet maar raakte pas op toen zij Erets Jsraël binnengingen.

Laat ons terug keren naar de tochten van Israël door de woestijn. Van de woestijn Sin reisde Israël naar Refiediem en daar had Israël opnieuw geen drinkwater. Weer kwam het volk naar Mosjé om te klagen en om van hem water te eisen. Mosjé zei tegen hen: „Waarom klagen jullie zoveel tegen mij?” Maar Israël luisterde niet naar de woorden van Mosjé maar bleven schreeuwen: „Waarom heb je ons uit Egypte gevoerd, wil je soms dat wij sterven van dorst in deze afschuwelijk woestijn?”

Mosjé wendde zich tot HaKadosj Baroech Hoe en zei tegen Hem: „Heer der wereld, wat moet ik doen met dit volk? Nog even en zij zullen mij stenigen.”

HaKadosj Baroech Hoe antwoordde hem: „Ga naar het volk en neem enkele van de Oudsten van het volk mee en neem ook de staf  mee waar je de rivier mee geslagen hebt. Dan ga je met de Oudsten naar een rots die zich bevindt vlakbij Choreev, en dan sla jij met je staf op die rots en dan zal daaruit water te voorschijn komen. Die Oudsten van Israël zullen er getuige van zijn dat uitsluitend doordat jij op de rots geslagen hebt het water daaruit te voorschijn is gekomen en dat het water daar voordien niet was.

Mosjé deed precies wat Hasjem hem gezegd had, en kijk eens wat een wonder daar gebeurde, uit die droge rots stroomde plotseling heerlijk drinkwater. Dorstig dronk Israël daarvan. Mosjé noemde die plaats: „Massah oeMeriwah” – beproeving en ruzie – omdat Israël daar ruzie gemaakt had met Mosjé en omdat zij Hasjem daarop de proef gesteld hadden.

Samenvatting: Wij hebben kunnen zien hoe goed Hasjem Israël behandelde in Marah,in Refiediem en met het man, zodat zij helemaal geen reden hadden om zich te beklagen. Zo moeten wij ook vertrouwen hebben dat Hasjem slechts het goede met ons voorheeft en voor ons zal zorgen.

De oorlog met Amalek

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

De jammerklachten van Israël

[i]. Klie Jakar  

[ii]. Mechilta en Jalkoet Sjim’oni

[iii]. Rasji 16:2

[iv]. Tanchoema Jasjan

[v]. Or Hachaïem

[vi]. Mechilta

[vii]. Rasji en Sjemot Rabbah 25:14

[viii]. Jalkoet Me’am Lo’eez

[ix]. Rasji 16:35