Archief

MISJPATIEM

MITSWOT VAN TORA

De Israëlieten hadden nu het hoogste niveau bereikt waarop een mens kan komen. Zij hadden het voorrecht gehad om de stem van HaKadosj Baroech Hoe te horen en zij hadden van Hem de kostbare Tora gekregen.

Het joodse volk had op zich genomen om zich aan heel de Tora te houden – aan al de 613 ge- en verboden die daarin genoemd worden. En ook aan al de bijzonderheden en details van de voorschriften, of zij die nu begrepen of niet.

Die 613 voorschriften van Tora – TaRJaĞ mitswot in het hebreeuws – zijn verdeeld in vier groepen:

  • geboden die men moet doen – mitswot ta’asèh;

  • verboden die men niet mag doen – mitswot lo ta’asèh;

  • de voorschriften die betrekking hebben op de relatie tussen de mensen onderling – mitswot sjèbein adam lechaweró;

  • de voorschriften die betrekking hebben op de relatie tussen de mens en G-d – mitswot sjèbein adam lammakom.

Bij de Tien Geboden – hebben wij reeds gezien dat die tien zijn onderverdeeld in zeven verboden en drie geboden, daarom is het eigenlijk beter om te spreken van de Tien Voorschriften in plaats van Tien Geboden. En verder kunnen we die Tien Voorschriften onderverdelen in vier mitswot sjèbein adam lammakom – voorschriften die betrekking hebben op de relatie tussen de mens en G-d, en zes mitswot sjèbein adam lechaweró – voorschriften die betrekking hebben op de relatie tussen de mensen onderling.

Laten wij nu eens enkele van de voorschriften, die betrekking hebben op de relatie tussen de mensen onderling – mitswot sjèbein adam lechaweró – en die in deze parasja voorkomen, leren. Het zijn allen mitswot waarvan Hasjem vindt dat het heel erg belangrijk is dat wij ons daaraan houden.

De eerste mitswa die wij zullen leren is een verbod:

„Wie zijn vader of moeder slaat, moet ter dood gebracht worden”.

Dit voorschrift betekent dat het iedereen absoluut verboden is om zijn ouders te slaan. Je moet er toch niet aan denken dat iemand zo iets zou doen, ouders, die altijd voor hem gezorgd hebben met volle overgave en liefde, vanaf de dag dat hij geboren werd en in zijn wiegje lag en hij nog niets kon totdat hij groot was en voor zich zelf kon zorgen en dan nog zorgden zij voor hem.

Ieder kind hoort goed voor zijn ouders te zijn en hen dankbaar te zijn voor al hun goede zorgen en voor al hun liefde en warmte die zij hem altijd gegeven hebben, voor de opleiding die zij hem gegeven hebben, voor zijn kleren, zijn speelgoed en boeken en zelfs voor zijn eten en drinken en het warme bedje dat altijd klaarstond.

Soms gebeurt het wel eens dat een kind bij zijn ouders komt om iets te vragen en dat zijn ouders dat niet willen geven, omdat zij weten dat datgene wat het kind vraagt, schadelijk kan zijn voor zijn gezondheid of voor zijn opvoeding. Ook in zo’n geval moet het kind toch zijn ouders eerbiedigen en lief voor hen blijven. En dan is het natuurlijk helemaal verboden om hen te slaan of om lelijke dingen tegen hen te zeggen waardoor zij gekwetst raken. En hij mag dat soort lelijke dingen ook niet alleen maar denken want ook dat doet toch zijn ouders pijn.

Wanneer desondanks iemand toch zijn vader of moeder slaat, dan begaat hij een geweldig ernstige overtreding. In de tijd van het Sanhedrin werd zo iemand dan ter dood veroordeeld als hij dertien jaar of ouder was.

Dus je ziet hoe belangrijk het is om je ouders te eren en te eerbiedigen.

ó  ó  ó

Een andere mitswa die nauw verbonden is met de vorige is:

„Ook wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”

Het is goed om te weten, dat niet alleen iemand die zijn vader of moeder slaat in de tijd van het Sanhedrin ter dood veroordeeld werd, maar ook iemand die zijn ouders vervloekt of die onbeleefd en grof tegen hen is of hen beledigt. Of wie lelijke dingen zegt om hen te kwetsen en pijn te doen. Op al deze soorten van vervloekingen stond in de tijd van het Sanhedrin de doodstraf.

Daarom is het heel belangrijk om ten alle tijde en overal netjes en beleefd tegen je ouders te praten en niet onbeleefd tegen hen te zijn of minachtend tegen hen te doen.

ó  ó  ó

De volgende mistwa die wij leren is ook een verbod en betreft even­eens de verhouding tussen mensen onderling: „Wanneer mannen met elkaar vechten, en de één slaat de ander zodat deze in bed moet blijven, …dan moet degene die geslagen heeft zijn tijdverzuim en de dokterskosten betalen.” Dit gebod doet ons herinneren aan de gebeurtenissen met Mosjé Rabbeinoe, toen hij in Egypte was en Datan en Avieram daar zag die met elkaar aan het vechten waren. Toen de één de ander wilde slaan, zei Mosjé tegen hem: „Boos­wicht, waarom sla je je collega?” Hieruit leren wij, dat ieder die zijn hand opheft tegen een ander, die wordt een booswicht, een slecht mens genoemd. Hieruit blijkt dat wij allemaal moeten proberen in vrede met elkaar te leven en niet met elkaar te vechten en dat wij elkaar zeker niet mogen slaan. En als het toch eens gebeurt dat iemand een ander plaagt of beledigt en wij zijn dan heel erg boos op hem, dan betekent dat niet dat wij hem mogen slaan of uitschelden, het tegendeel is waar: wij moeten dan het vriendje dat ons gekwetst heeft op een rustige manier vermanen en duidelijk maken, wanneer niemand anders dat ziet, dat het niet mooi is wat hij gedaan heeft. Dan zal dat andere kind begrijpen dat hij zich niet netjes gedragen heeft en dan zal hij dat zeker nooit meer doen.

Maar als iemand een ander toch zo hard geslagen heeft dat die ander dokstersbehandeling nodig heeft, dan moet degene die geslagen heeft de kosten van de doktersbehandeling betalen en ook moet hij betalen voor de dagen dat het slachtoffer niet heeft kunnen werken en dus niets heeft kunnen verdienen.

ó  ó  ó

Een heel ander soort verbod is het volgende: „Wanneer iemand een kuil opendekt”. Om deze mitswa te begrijpen, zullen wij Sjmoelik, David, Sjlomo en Reoeween eens volgen die zojuist naar de tuin gegaan zijn, om daar wat te voetballen. Plotseling ontdekt David een kuil, afgedekt met een metalen plaat. Hij begint te roepen: „Jongens, kijk eens wat ik gevonden heb!” Natuurlijk komen zij allemaal onmiddellijk kijken.

„Wat een mooie kuil,” zegt Sjmoelik. Die is vast door de tuinman of door de bouwer van de overkant gegraven. Daar kunnen wij mooi nu in spelen.”

De jongens verwijderden de metalen deksel van de kuil en speelden geruime tijd in de kuil, totdat de zon onderging en het donker begon te worden. Iedereen ging nu naar huis. De put bleef open liggen, zonder enige bedekking.

Maar kijk, daar komt meneer Zilversmid langs met achter zich aan zijn koe aan een touw, die hij terug wil brengen naar de stal. Het veld is nu helemaal donker en meneer Zilversmid ziet de kuil helemaal niet. Plotseling, o wee, daar vallen meneer Zilversmid en zijn koe in de kuil. Meneer Zilversmid heeft geluk gehad, hem mankeert niets en hij klimt geschrokken maar gezond en heel weer uit de kuil. Maar de koe heeft zijn beide voorpoten gebroken. En dat komt omdat de kinderen domweg vergeten hadden om de kuil weer af te sluiten!

Wanneer de kinderen nu boven de dertien jaar waren geweest, dan hadden zij aan meneer Zilversmid de schade moeten betalen van de gebroken koeiepoten, maar omdat zij onder de dertien jaar waren hoefden zij niets te betalen.

Onthoudt dus goed, kinderen, dat het heel gevaarlijk is om in een kuil te spelen, en als jullie een kuil of put zien die niet is afgesloten, dan moet je daar iets overheen leggen, om te voorkomen dat iemand of iets daarin valt.

ó  ó  ó

Ook de volgende mitswa houdt een verbod in: „Wanneer iemand een veld of wijngaard laat afgrazen, door zijn vee los te laten lopen en dit op het veld van een ander gaat grazen, dan moet hij betalen, gerekend naar het beste van zijn land en naar het beste van zijn wijngaard.” Dit betekent dat wanneer iemand zijn dier van het gras of bloemen in de tuin of op het veld van iemand anders laat eten, dan wordt hij beschouwd als een dief die uit die tuin of van dat veld gestolen heeft. Hij is dan verantwoordelijk voor de schade en die moet hij duur betalen.

Bijvoorbeeld: In de dorpen op het land zijn er heel veel koeien en schapen, die iedere dag naar de wei gebracht worden. Maar het vee mag niet op ieder veld zomaar grazen, alleen op het veld van de eigenaar van het vee of op openbaar terrein dat van niemand is. Maar als de dieren des­ondanks toch aten van het veld van iemand anders, bijvoorbeeld op de weg naar hun eigen veld, dan zijn de eigenaars van de dieren verant­woor­delijk en moeten zij de schade betalen.

ó  ó  ó

Een heel ander voorschrift betreft iemand die voor een ander iets in bewaring neemt, zonder dat hij daarvoor geld vraagt. Zo iemand heet een sjomeer chinam in het hebreeuws. Het kan zijn dat hij een voorwerp voor zijn vriend wil bewaren of diens geld, omdat hij een veilige kluis heeft waarin dat geld veilig is en zijn vriend heeft zo’n kluis niet. En hij vraagt helemaal niets terug voor zijn diensten, geen geld en geen cadeautjes, hij doet het geheel gratis.

Bijvoorbeeld: Mevrouw Levi heeft een heel kostbare gouden ketting met diamanten en op zekere dag wil zij met haar man, meneer Levi, op reis. Maar zij wil die kostbare ketting niet meenemen, uit angst dat zij misschien onderweg zou worden overvallen en bestolen of omdat zij misschien de ketting wel gewoon zou kunnen verliezen. Maar zij wil die kostbare ketting ook niet zomaar thuis laten. Stel je voor dat gedurende haar afwezigheid er inbrekers komen in het lege huis en er met haar dure ketting vandoor gaan. Daarom gaat meneer Levi naar hun buurman, die een goede en betrouw­bare vriend van hem is, en hij vraagt hem: „Wilt u alstublieft op de ketting van mijn vrouw passen gedurende de tijd dat wij op vacantie gaan?”

De vriendelijke buurman zegt: „Maar natuurlijk, meneer Levi, wij helpen elkaar toch altijd graag!”

Mevrouw Levi gaat met een gerust hart op reis, maar de vrouw van de buurman heeft de mooie ketting ook gezien en zegt tegen haar man: „Waarom heeft zij wel zo’n mooie ketting en ik niet? Ik wil er ook zo eentje hebben!”

Maar de buurman heeft niet zoveel geld om zo’n dure ketting te kopen en denk bij zichzelf: ‘Als ik deze ketting nu aan mijn vrouw geef, dan is zij tevreden, en tegen meneer Levi zeg ik gewoon dat de ketting gestolen is.”

Als na enige tijd mevrouw en meneer Levi terug komen van hun vacantie, gaat meneer Levi onmiddellijk naar de buurman om de mooie ketting terug te vragen. Maar die zegt:

„Oi, meneer Levi, er is iets ergs gebeurd. Iedere dag heb ik gecon­troleerd of de ketting er nog was. Ik heb er goed opgepast. Maar eergisteren is hij toch gestolen.”

Meneer Levi gelooft het verhaal niet en neemt de buurman onmid­dellijk mee naar het Beit-Din – de rabbinale rechtbank – en daar vraagt hij of de buurman maar even een eed wil afleggen op de Naam van Hasjem, zoals er staat geschreven in Tora, dat de ketting echtwaar gestolen is. De buurman zweert dat de ketting echt gestolen is, maar dat is natuurlijk een valse eed. Maar daar komen reeds de buren van de overkant getuigen dat zij gezien hebben hoe de buur­man van de overkant de ketting stiekem in zijn kast gelegd heeft, hoe ’s avonds zijn vrouw de ketting triomfantelijk om haar nek had op het feestje bij hun thuis, en hoe na afloop van het feestje de buurman de ketting weer in zijn kast opgeborgen had!

Onmiddellijk kwamen de politiemannnen van het Beit-Din het huis van de buurman doorzoeken, en jawel hoor, daar was de ketting. Mevrouw Levi kreeg haar ketting weer terug en als boete moest de buurman nog eens de waarde van de ketting vergoeden!

Daarom, kinderen, onthoud dat wanneer een vriendje jou iets in bewaring geeft, dan moet je daar heel goed oppassen en zorgen dat het niet verloren of stuk gaat. En je mag het dan natuurlijk helemaal niet gebruiken zonder toestemming van de eigenaar van het voorwerp.

ó  ó  ó

Nog een laatste verbod dat geldt voor de relaties tussen mensen onderling zullen wij hier behandelen: „Houd je ver van een leugenachtige zaak.” Willen jullie eens horen hoe lelijk een leugen kan zijn? Lees dan maar eens verder, hoe het Benjamin verging, die met vuile kleren  thuis kwam, nadat hij in de modder gespeeld en door een waterplas gelopen had.

Toen zijn moeder zijn vuile kleren zag, vroeg zij boos: „Benjamin, waarom ben je door de plassen gelopen? Ik heb je toch al zovaak gewaarschuwd niet in de modder te spelen!”

„Maar mamma,” verdedigt Benjamin zich, „ik heb helemaal niet in de modder gespeeld, Sjlomie heeft mij er ingeduwd en met modder bekogeld.”

Boos ging mamma nu naar het huis van Sjlomie en vroeg hem: „Sjlomie, waarom heb je naar Benjamin met modder gegooid?”

„Dat heb ik helemaal niet gedaan,” antwoordde Sjlomie, „en trouwens, ik was vandaag de hele middag bij de tandarts, ik heb helemaal niet buiten gespeeld.”

Nog veel bozer keerde Benjamins moeder terug naar huis en gaf hem een fikse straf omdat hij zo lelijk gejokt had.

Zo zien jullie hoe een leugen altijd spoedig wordt achterhaald en dan blijkt pas hoe slecht het afloopt met de leugenaar.

En nog iets: zolang mensen leugens vertellen brengt HaKadosj Baroech Hoe geen welvaart op de wereld, en zal er niet genoeg voedsel zijn voor alle mensen. En als dat nog niet genoeg is: al die tijd zullen wij niet verlost worden uit onze ballingschap en zullen wij niet in vrede en veiligheid kunnen terugkeren naar ons land Israël.

Maar als wij daarentegen de waarheid spreken, ook als ons dat soms wel eens moeilijk valt, dan maakt dat HaKadosj Baroech Hoe blij en dan brengt Hij een overvloed van zegeningen op de wereld.

Samenvatting: Van de mitswot van Tora leren wij hoe belangrijk het is om eerbied te hebben voor ouders maar ook voor andere mensen en ook voor onze vriendjes. En ook leren wij daaruit hoe Hasjem diegenen straft die zijn ouders niet eerbiedigt en die ruzie maakt met andere mensen en kinderen.