Archief

Bo

DE NEGENDE PLAAG

Hasjem bleef het hart van Par’o verstijven, en ten gevolge daarvan bleef Par’o weigeren om het joodse volk te laten vertrekken. En opnieuw riep Hasjem Mosjé en Hij zei tegen hem: „Strek je hand naar de hemel uit.” Mosjé stak zijn hand uit en een diepe duisternis legde zich over Egypte neer. [i]Een duisternis, donkerder dan de nacht, zo dicht was de duisternis dat geen Egyptenaar een ander nog kon zien. De duisternis was zelfs tastbaar.

De duisternis in Egypte was geen natuurlijke duisternis, maar werd veroorzaakt door een zware wolk die op het land lag. De Egyptenaren probeerden vuurtjes te stoken om zo toch een beetje te kunnen zien in hun huizen, maar dat hielp hen niet, het vuur dat zij aanstaken werd gelijk weer gedoofd. Dit duurde zo drie dagen, en niemand kon ook maar iets zien.

[ii]Op de vierde dag werd de duisternis nog zwaarder, zodat de Egyptenaren zich helemaal niet meer konden bewegen, en ieder mens bleef als verlamd in dezelfde houding, als waarin hij zich bevond op de dag ervoor.

In het land Gosjen daarentegen, scheen de zon, daar werd het alleen ’s nachts donker. En zelfs als een jood in Egypte rond liep, scheen voor hem de zon, op hetzelfde moment dat in heel Egypte duisternis heerste.

Waarom bracht HaKadosj Baroech Hoe zulk een zware duisternis over Egypte? Rasji vertelt ons hier twee redenen voor: De eerste reden was, dat HaKadosj Baroech Hoe de slechte Joden wilde doden. En opdat de Egyptenaren niet zouden zeggen dat met deze plaag ook Israël werd getroffen, werd het zo donker, dat de Egyptenaren niet de dood van de slechte joden konden zien.

[iii]En de tweede reden was, opdat de joden zo ongezien de huizen van de Egyptenaren konden ingaan om daar te kijken waar de Egyptenaren hun kostbaarheden verstopt hadden, die zijn dan later mee konden nemen.

Ook in het paleis van Par’o was dikke duisternis. Opnieuw riep Par’o Mosjé en Aharon bij zich en hij zei tegen hen: „Ik ga ermee akkoord, dat heel Israël Egypte verlaat, maar jullie vee moeten jullie achterlaten.” „Nee, dat kan niet,” antwoordde Mosjé, „wij nemen niet alleen onze eigen bezittingen mee wanneer wij uit Egypte weg­trekken, maar ook uw bezittingen nemen wij mee.”

Opnieuw verharde HaKadosj Baroech Hoe het hart van Par’o en die begon te schreeuwen: „Nee, ik zal jullie niet laten gaan, verdwijn van hier, en ik wil jullie nooit meer zien, en wanneer je nog eens hier durft te komen, dat laat ik jou, Mosjé, doden.”

„Zoals u gezegd heeft,” antwoordde Mosjé, ik zal nooit meer naar u toe komen.”

Nog terwijl Mosjé voor de koning stond verscheen Hasjem aan Mosjé en zei tegen hem: „Nog één plaag zal Ik Par’o en zijn volk brengen. Daarna zal hij jullie uit zijn land verjagen, hij zal jullie smeken of je alsjeblieft weg wilt gaan. Zeg nu tegen Par’o datgene wat ik jou gezegd heb. Daarna ga je naar je volk en moet je hen zeggen dat zij naar de huizen van de Egyptenaren moeten gaan en aan hun geld moeten vragen en edelstenen. Ze moeten al hun kost­baar­heden vragen die zij gezien hem tijdens de plaag van de duisternis en Ik zal ervoor zorgen dat het joodse volk gunst vindt in de ogen van de Egyptenaren en dat zij hen alles zullen geven wat ze vragen.”

Toen Hasjem uitgesproken was, wendde Mosjé zich tot Par’o en zei: „Weet, Par’o, dat de zwaarste van alle rampen nu zal komen, indien u het volk niet laat gaan. Bij die plaag zullen alle eerstgeborenen in Egypte omkomen. Het zal niet uitmaken of zij arm of rijk zijn, belangrijk of eenvoudig, sterk of zwak, of het de eerstgeborene is van mens of dier, in ieder huis zal de eerstgeborene sterven en er zal een groot geschrei zijn in heel Egypte. Maar bij de Joden in het land Gosjen zal vrede heersen en zal de dood niet toeslaan, zelfs een hond zal niet tegen hen blaffen. Zo zult u zien, koning van Egypte, en zal heel uw volk zien welk een geweldige kracht de G-d van Israël heeft. Dan zullen al uw dienaren en heel uw volk mij smeken of ik alstublieft wil weggaan.” En met die woorden verliet Mosjé voorgoed het paleis van Par’o, die stond te briesen van woede.

De tiende plaag van de eerstgeborenen

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i].   Ramban 10:23

[ii].   Sjemot Rabbah14:3

[iii].   Tanchoema 3