Archief

WAËRA

NOG VIER plagen

En ondertussen bleef Par’o weigeren om het joodse volk te laten gaan. Dus riep HaKadosj Baroech Hoe Mosjé opnieuw bij zich en zei tegen hem: „Mosjé, Ik wil een nieuwe plaag over Egypte en over Par’o brengen. Daarom moet je morgen vroeg opstaan en naar de rivier gaan. Daar zul je Par’o ontmoeten, want als je niet vroeg naar de rivier gaat, zul je hem daar niet vinden. [i]Want Par’o gaat tegenwoordig nog vroeger dan voorheen naar de rivier, omdat hij bang voor je is. Als je hem ziet, zeg hem dan, dat Ik, de G-d van Israël, jou geboden heb hem te zeggen, dat als hij Mijn volk niet laat gaan, dan zal ik een nog zwaardere ramp over hem en over zijn land laten komen: [ii]Ik zal een heleboel grote wilde dieren op hem en op het volk afsturen, leeuwen en beren, wolven, luipaarden, slangen en schorpioenen en andere beesten.”

Mosjé haastte zich naar Par’o en vertelde hem wat Hasjem gezegd had. Maar Par’o bleef lachen en zei: „Genoeg nu, al die onzin, ik wil je niet meer horen. Verdwijn van hier!”

Mosjé deed zoals Par’o hem geboden had maar reeds de volgende ochtend kwam de plaag van de wilde dieren over Egypte. Olifanten en reuze muizen, leeuwen en tijgers drongen de huizen van de mensen binnen, verslonden de kinderen en richtten een enorme schade aan. [iii]Maar de wilde dieren deden de Joden geen enkel kwaad.

[iv]En als de Egyptenaren hun huizen probeerden af te sluiten voor de beesten, door alle deuren en ramen te vergrendelen en de luiken voor de ramen te doen, dan kwamen de apen en die braken ze weer open en zo kwamen de dieren toch steeds weer de huizen binnen en als ze niet door de ramen en deuren kwamen, dan kwamen ze wel door de schoorsteen.

Toen Par’o zag welk een schade de dieren in de egyptische huizen aanrichtten, liet hij Mosjé en Aharon bij zich komen en zei hen: „Jullie mogen Hasjem, jullie G-d, dienen in de woestijn. Echter op voorwaarde dat jullie niet ver weg gaan maar na drie dagen terugkomen. En op voorwaarde dat jullie bidden tot jullie G-d dat Hij deze plaag van ons afneemt.”

„Akkoord, ” antwoordde Mosjé, „ik ga direct de stad uit om daar tot Hasjem de bidden voor u en voor uw volk, maar bedenk wel, dat u beloofd heeft om het volk Israël te laten gaan om G-d in de woestijn te dienen, zodra de plaag van de wilde dieren uit Egypte verdwenen is.” Daarop verliet Mosjé het paleis van de koning en ging de stad uit om daar tot Hasjem te dawenen en om Hem te vragen om de plaag van de wilde dieren van Egypte te verwijderen. En ja hoor, plotseling gingen alle wilde dieren uit de huizen er vandoor en vluchtten het land uit.

[v]De wilde dieren gingen niet dood, zoals de kikvorsen maar zij verdwenen eenvou­dig uit het land Egypte. De reden hiervoor was, dat HaKadosj Baroech Hoe wist, dat als die dieren zouden doodgaan, dan zouden de Egyptenaren hun vlees kunnen eten of hun huiden kunnen gebruiken en dan zouden zij er nog rijk van worden ook.

En daarmee eindigde de vierde plaag, de plaag van de wilde dieren.

Maar Par’o hield zich niet aan zijn afspraak met Mosjé en weigerde het volk uit Egypte te laten gaan.

En opnieuw riep HaKadosj Baroech Hoe Mosjé bij zich en sprak: „Ga naar Par’o en waarschuw hem dat als hij het volk Israël niet uit zijn land wegstuurt, dan zal zijn kleinvee en rundvee door een enorme ramp getroffen worden, zodat al het vee dat op het veld staat zal worden uitgeroeid.” Mosjé ging naar Par’o en vertelde hem alles wat Hasjem gezegd had, maar Par’o lette helemaal niet op Mosjé, maar lachtte hem vierkant uit.

Toen Hasjem dat zag liet Hij reeds de volgende dag een pest-epidemie op het vee komen: op zowel het kleinvee als het rundvee, zowel op de ezels als op de paarden van de Egyptena­ren, die op het veld waren. Al die dieren gingen dood, niet één dier dat op het veld was achter gebleven, was nog in leven. Maar alle dieren die in de stallen waren werden niet getroffen door de epidemie. En de dieren van de Joden hadden helemaal geen last van de pest-epidemie, of zij nu op stal stonden of in de wei rond liepen. [vi]En zelfs als een Jood een zieke koe had die op sterven lag, dan ging die niet dood, zodat de Egyptenaren niet zouden kunnen zeggen dat de plaag deze keer ook de Joden getroffen had. [vii]En zelfs de dieren die de Egyptenaren van de Joden gestolen hadden, hadden geen last van de pest-epidemie en de Joden konden hun dieren mee terug naar huis nemen.

Toen Par’o zag welk een schade het volk getroffen had, maar hij bleef weigeren om het volk Israël te laten gaan.

Na een week hield de pest op en daarmee kwam er een einde aan de vijfde plaag, de plaag van de pest.

HaKadosj Baroech Hoe zag dat Par’o stijfkoppig bleef en nog steeds weigerde de Joden te laten vertrekken en daarom riep Hij Mosjé opnieuw bij zich en sprak: „Ga en neem van het roet uit de schoorsteen in je hand en gooi dat in de lucht. Dan zal dat roet zich verspreiden over heel het land Egypte en zich vastzetten op de lichamen van de Egyptenaren en hun dieren.”

[viii]Mosjé en Aharon namen een handvol schoorsteen­roet en gooiden dat in de lucht en het roet verspreidde zich over heel het land Egypte en kleefde aan de licha­men van haar bewoners en veroorzaakten een akelige huidziekte. Dat veroorzaakte veel pijn aan de Egyptenaren en hun vee. [ix]De tovernaars van Egypte probeerden met hun toverkunsten de jeuk en de pijn van de plaag te verminderen, maar niets hielp hen, zij konden zelfs geen enkel tovermiddeltje bedenken dat hen van hun eigen jeuk en pijn afhielp. Integendeel, hun builen en kwetsuren werden met de dag erger en groter dan die van alle andere Egyptenaren, totdat zij eraan stierven.

En Par’o bleef stijfkoppig en verhardde zijn hart en liet de Joden niet gaan.

Na een week hield ook deze zesde plaag op en daarmee kwam een einde aan de plaag van de huidziekte.

HaKadosj Baroech Hoe zag dat Par’o steeds hard­nekkiger werd en weigerde het volk Israël te laten gaan. Hij zei tegen Mosjé: „[x]Sta morgenochtend vroeg op, maar je hoeft niet naar de rivier te gaan, want daar zul je Par’o niet meer vinden. Want die gaat niet meer naar de rivier ’s ochtends opdat jij hem daar niet meer zult vinden. Maar je moet gaan naar een plaats die Ik je zal zeggen en daar zul je Par’o ontmoeten en dan moet je tegen hem zeggen, dat als hij Mijn volk niet laat gaan om Mij te dienen, dan zal ik een zware hagel op Egypte laten vallen, zo zwaar als er nog nooit in heel het land en in heel de wereld is geweest. En zeg hem dan ook, dat het beter is als hij en zijn volk in hun huizen blijven en dat zij ook hun dieren binnen brengen, want alle dieren die nog gespaard zijn van de pest zullen anders alsnog gedood worden.”

Mosjé ging naar de plaats die Hasjem hem gezegd had en daar vond hij inderdaad Par’o. Maar toen Mosjé aan Par’o vertelde wat Hasjem hem gezegd had, begon Par’o weer tegen hem te schreeuwen en lachtte hij Mosjé uit zoals alle vorige keren.

De volgende dag riep Hasjem Mosjé en zei tegen hem: „Mosjé, steek je hand eens uit naar de hemel!” [xi]Mosjé deed wat Hasjem hem gezegd had en meteen begon er een vreselijke hagel uit de hemel neer te dalen. Enorme blokken ijs vielen er neer en tussen de blokken ijs vielen grote gloeiende kolen. De blokken ijs sneden als grote scherpe messen door alles heen, velden reusachtige bomen en vernielden alle planten en gewassen op de velden. Iedere Egyptenaar die op dat tijdstip op straat liep of ieder dier dat op het veld stond werd door het ijs bevroren of door de gloeiende kolen verbrand. Maar wie G-d vreesde en in zijn huis was gebleven, die bleef ongedeerd.

[xii]Maar in het land Gosjen, waar de Joden woonden, daar viel geen hagel en daar leefde men voort als voorheen, ongestoord door de plagen. En zelfs als een Jood door de straten van Egypte liep, bleef hij ongedeerd.

Par’o zag wel hoe zijn land langzaam maar zeker vernield werd, hoe de huizen één voor één instortten en hoe zijn onderdanen, zowel als hun vee achter­elkaar omkwamen, ten gevolge van de zeven plagen die tot nu toe Egypte getroffen hadden. Daarom besloot hij Mosjé en Aharon bij zich te laten komen en hen te vragen of zij voor hem tot Hasjem wilden bidden. Toen die voor Par’o stonden zei hij tegen hen: „Deze keer heb ik gezondigd. Hasjem is rechtvaardig en ik en mijn volk - wij zijn slecht. Alsjeblieft, bid tot Hasjem jullie G-d, opdat Hij deze erge hagelstorm van ons wegneemt, want die bezorgt ons zoveel schade.”

Toen Mosjé zag dat Par’o begon in te zien hoe slecht hij was, zei hij: „Ik weet, dat zodra de hagel ophoudt, u nog steeds niet gelooft in Hasjem, de G-d van Israël. Maar ik zal nu toch de stad uit gaan en tot Hasjem bidden en Hem vragen om deze hagelplaag te laten stoppen.”

Mosjé en Aharon verlieten het paleis van Par’o en gingen de stad uit om daar tot Hasjem te bidden, en om Hem te vragen om de hagelbui te laten stoppen. En inderdaad, nauwelijks waren zij klaar met dawenen of reeds stopte de hagel [xiii]en zelfs de hagel die al onderweg was vanuit de hemel en al bezig was te vallen maar nog niet de aarde bereikt had stopte halverwege met vallen.

En zo eindigde de zevende plaag, de plaag van de hagel.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Sjemot Rabbah 11:2

[ii]. Rasji 8:17

[iii]. Alsjiech

[iv]. Sefer Hajasjar

[v]. Sjemot Rabbah 11:4

[vi]. Sjach

[vii]. Sjemot Rabbah 11:5

[viii]. Sjemot Rabbah 11:6

[ix]. id. en Pirkei de Rabbi Eliëzer

[x]. Sjemot Rabbah 12:1

[xi]. Sjemot Rabbah 12:6

[xii]. Bamidbar Rabbah 9:12

[xiii]. Tanchoema 16.