Archief

SJEMOT

RUGBREKENDE ARBEID

Herinneren jullie je Joseef nog, en wat er met hem allemaal gebeurde? Laten wij dat nog eens even hier herhalen hoe hij er door zijn vader opuit gestuurd werd om te zien wat zijn broers, die op het kleinvee pasten, uitvoerden; en hoe zijn broers hem daar op het veld vastgrepen en hem in een put, vol met slangen en schorpioenen gooiden. En wij herinneren ons ook hoe Joseef verkocht werd aan Ismaëlieten, die hem weer door verkochten aan andere handelaren, totdat Joseef tenslotte verkocht werd aan Potifar. Maar ook daar in het huis van Potifar kwam nog geen einde aan Joseefs ellende, want hij werd naar de gevangenis gestuurd op verzoek van de slechte vrouw van Potifar die lelijke leugenverhalen over Joseef verteld had.

Daar, in de gevangenis, ontdekten twee gewezen hofdienaren van de Par’o hoe Joseef op wonder­baar­lijke wijze vreemde dromen kon verklaren. Tenslotte werd Joseef naar het paleis van Par’o, de koning van Egypte, gebracht, om diens merkwaardige dromen uit te leggen.

De koning van Egypte erkende de grote wijsheid van Joseef en benoemde hem tot onderkoning.

Herinneren jullie je ook hoe Joseef vervolgens zijn elf broers terugvond en hoe hij hen eropuit zond om hun vader Ja’akov en heel hun familie op te halen zodat zij in Egypte zouden kunnen wonen?

En zo daalden Ja’akov en zijn zonen en hun familie af naar Egypte en vestigden zich in het land Gosjen. Dat lag niet echt binnen het land Egypte zelf, omdat zij zich wilden afzonderen van de niet-joodse bewoners van Egypte.

Toen Ja’akov en zijn familie naar Egypte kwamen, was hun aantal slechts 70 man. Maar langzaam maar zeker nam hun aantal toe en zo liep hun aantal al spoedig in de duizenden, want [1]iedere joodse vrouw beviel iedere keer van zes kinderen tegelijk [2]en alle kinderen die geboren werden waren gezond en heel, ondanks hun grote aantal. Daardoor gebeurde het dat in iedere familie er wel veertig of vijftig kinderen waren of nog meer.

Gedurende al die jaren bleef Joseef onderkoning van Egypte [3]en ondanks dat Joseef gedurende tachtig jaar over Egypte regeerde, leerde hij toch niet de slechte gewoonten van de Egyptenaren, maar bleef hij een brave en rechtvaardige Jood. Hij bleef zich houden aan de mitswot van Hasjem, en aan dat wat hij geleerd had van zijn vader Ja’akov, voordat hij naar Egypte kwam.

Zo gingen de jaren voorbij, totdat Ja’akov overleed. Daarna overleden ook de twaalf zonen, de stamvaders van de twaalf stammen, de één na de ander. Na hun dood veranderde er iets in de verhouding tussen de Egyptenaren en Israël; de Egyptenaren begonnen de Joden te verachten en zij behandelden hen niet meer zoals zij dat deden voordat de twaalf stamvaders waren overleden, maar zij waren ruw en grof tegen hen en behandelden hen als hun minderen.

De Tora vertelt ons: „Toen stond er een nieuwe koning op over Egypte, die Joseef niet gekend had.”

[4]Wanneer we deze woorden op een eenvoudige manier verklaren, dan betekent het dat er inderdaad een nieuwe koning kwam heersen over Egypte, die nog nooit gehoord had van Joseef en van al de goede dingen die hij voor Egypte gedaan had. Echter, sommigen van onze geleerden vertellen ons, dat het helemaal geen nieuwe koning was, maar dat dezelfde Par’o koning over Egypte bleef, echter dat zijn verhouding met de Joden anders was geworden: hij vaardigde nu allemaal lelijke verordeningen uit tegen de Joden.

Nu vragen jullie je natuurlijk af hoe het kwam dat Par’o zijn houding zo ten opzichte van de Joden veranderde. Welnu, Par’o hield echt heel veel van Joseef en ook van diens kinderen en kleinkinderen en verdere nakomelingen, die nu woonden in het land Gosjen, want hij wist hoeveel goeds Joseef gedaan had voor het volk van Egypte. [5]Echter op een dag kwamen de raadslieden van Par’o bij hun koning en zeiden tegen hem: „Sire, wij hebben besloten dat wij een manier moeten vinden om de Joden uit te roeien.”

„Maar waarom dan?” vroeg de koning verbaasd, „is het niet juist aan Joseef te danken dat het volk van Egypte nog in leven is na die zeven jaren van hongersnood?”

Toen nu de raadslieden van de koning zagen dat hij niet naar hen wilde luisteren, gooiden zij hem van de troon.

Gedurende drie maanden was Par’o geen koning maar moest hij zijn eigen huishou­ding verzorgen: de afwas doen, de vloer dweilen, koken, water pompen uit de put enz. Tenslotte begreep Par’o dat hij wel moest luisteren daar het advies van zijn raadsheren. Dus zei hij tegen hen:

[6]„Luistert naar mij, wijzen en raadsheren van Egypte, ik stel voor dat wij het joodse volk zeer zware, rugbrekende arbeid opleggen, dan raken wij ze vanzelf kwijt.”

„Wat voor werk leggen wij hen dan op?” vroegen de raadslieden aan de koning.

[7]Wel, herinneren jullie je niet de voorraadsteden Pitom  en Ra’amses die verwoest werden door het geweldige gebrul van Jehoeda, toen hij zo’n grote keel opzette tegen Joseef tijdens hun ruzie over Benjamin?”

„Ja, natuurlijk herinneren wij ons dat,” antwoordden allen.

„Welnu,” zo vervolgde Par’o, „wij leggen hen op om voor die steden te betalen en zij moeten die opnieuw opbouwen, zodat ik een plaats heb waar ik mijn schatten kan opbergen. [8]Maar omdat de Israëlieten vast en zeker zullen weigeren om zo maar voor ons te werken en zij zich zelfs daartegen zullen verzetten, adviseer ik dat in het begin het Egyptische volk voor loon zal werken, en naderhand zullen zij dan overal rond vertellen dat zij veel geld hebben gekregen voor eenvoudig werk. Dan zullen ook de Joden komen, want die houden ervan om makkelijk veel geld te verdienen.”

Par’o ging trots verder met het uitleggen van zijn plannen en zei: „Tenslotte houden de Egyptenaren op met werken en dan stop ik met geldgeven aan de Joden die werken, maar ik zal hun dwingen om bij te blijven dienen. Zo zullen hun aantallen langzaam maar zeker afnemen, totdat zij allemaal dood zijn ten gevolge van het zware werk.”

„Geweldig, Sire!” riepen ze allemaal, „dat zullen wij doen, precies zoals u gezegd heeft.”

En zo gebeurde het ook. In het begin kregen de Egyptenaren en ook de Joden veel geld voor iedere tichelsteen die zij neerlegden. Daarom werkten zij met veel enthousiasme en probeerden zij zoveel mogelijk tichelstenen te leggen.

Maar langzaamaan werd het loon dat zij ontvingen steeds minder en tenslotte stopte Par’o en gaf hij de joodse werklieden helemaal geen loon meer. Maar hij dwong hen door te gaan met het werk om dezelfde hoeveelheid tichelstenen te leggen als die welke zij legden toen zij daar nog loon voor kregen.

Zo werkten de Israëlieten heel hard en sleepten zij iedere dag heel veel tichelstenen aan, en iedere dag beval Par’o hen om nog meer tichelstenen aan te voeren voor de bouw van de steden Pitom en Ra’amses.

[9]En toen de bouw klaar was, stortten de steden inelkaar en moesten de Israëlieten opnieuw beginnen met de opbouw ervan.

Maar Par’o was niet tevreden met de bouw van de steden alleen. [10]Hij beval de Israëlieten ook ander werk te doen, zoals het ploegen van velden en hen te bezaaien, het graven van putten en nog veel meer van dat soort zware werkzaamheden.

En alsof dat nog niet genoeg was, allemaal, gelastte Par’o dat de vrouwen in de bouw het werk van de mannen moesten doen, zoals bomen omhakken, wegen aanleggen en dergelijke. De mannnen daaren­tegen moesten vrouwenwerk doen, zoals koken, bakken, wassen en dergelijke.

Deze verordening verzwaarden het leven van de Joden enorm, want ieder mens is gewend aan het werk dat hem het meest past en een man slaagt er doorgaans niet in om goed het huishouden te doen, terwijl een vrouw niet geschikt is om zware lasten op haar rug te tillen of om een reuzachtige boom te vellen.

 

[11]Par’o wist wel wat voor zwaar werk hij de Joden had opgelegd. Daarom stelde hij nu ook joodse opzichters aan die er op moesten toezien dat hun broeders zouden werken zoals Par’o dat wilde. Boven de joodse opzichters stelde Par’o Egyptische sla­vendrijvers aan, die de hebreeuwse opzichters wreed sloegen wanneer de Israëlieten niet voldoende werk afleverden. Maar de joodse opzichters hadden medelijden met hun broeders en sloegen hen niet om hen aan te zetten tot harder werken. En omdat de Israëlieten niet altijd voldoende tijd hadden om al het werk te doen dat hen was opgelegd, sloegen de slavendrijvers de joodse opzichters, die de klappen met liefde opvingen. Nadat de Israëlieten uit Egypte trokken kregen zij daarvoor hun beloning van HaKadosj Baroech Hoe, Die hen aanstelde tot raadgevers van Mosjé Rabbeinoe en tot leiders  over het volk (zij waren de zeventig „Oudsten”).

[12]Maar Par’o vorderde nieuwe bevelen uit over het joodse volk: hij verbood de bouwers van de steden Pitom en Ra’amses om ’s avonds, na het werk, terug te gaan naar hun huis. En alsof het nog niet genoeg was dat het hen verboden was om thuis te slapen, liet hij hen ook buitenshuis nauwelijks slapen maar moesten zij ook ’s nachts doorwerken, zodat zij bijna geen tijd hadden om te slapen.

[13]Toen de brave joodse vrouwen het lijden van hun mannen zagen, spraken zij hen moed in en zeiden: „Weest niet bezorgd, de verlossing is dichtbij, spoedig zal Hashem ons uit deze slavernij bevrijden.” Wanneer nu de vrouwen van Israël naar de rivier gingen om drinkwater te halen, zorgde Hasjem voor een wonder: dan slaagden zij erin om een heleboel vissen op te halen die voor hun echtgenoten gekookt werden, zodat zij konden aansterken voor hun zware arbeid. Die brachten zij dan snel naar de werkplaatsen van hun echtgenoten en gaven hun de lekkere vissen en het warme water, waarmee zij zich hun vuile voeten konden wassen.

Die vele verordeningen vaardigde Par’o alleen maar uit opdat de Israëlieten in aantal zouden verminderen en tenslotte geheel zouden uitsterven. Maar het hielp hem niets. Juist het tegendeel gebeurde: hoe zwaarder het werk werd en hoe meer verordeningen er kwamen, destemeer vermeerderden de Joden zich die in het land Gosjen woonden.

Wanneer dan de tijd voor een vrouw aanbrak, dat zij moest bevallen, dan deed zij dat niet thuis, uit angst dat de Egyptenaren haar baby zouden vermoorden. Zij gingen dan naar het veld en kregen daar hun kindertjes. En omdat zij bang waren dat de Egyptenaren hun baby’s zouden afpakken wanneer zij die mee naar huis terug zouden nemen, verstopten de moeders hun baby’s op het veld en kwamen alleen terug naar hun.

Toen deed HaKadosj Baroech Hoe een wonder: uit de hemel daalde een heleboel goede engelen neer en die gaven aan alle babytjes op het veld twee steentjes: uit de ene konden de babytjes heerlijke melk zuigen en uit de andere zoete honing.

Maar daarmee was nog niet het werk van de engelen beëindigd: zij wasten ook iedere baby en ver­schoon­den hen en zij gaven hen alle verzorging die ze nodig hadden.

Eens ontdekten de Egyptenaren dat de vrouwen van Israël hun kinderen in het veld kregen en toen gingen zij hen daar zoeken. Maar ook toen deed HaKadosj Baroech Hoe een groot wonder en alle baby’s werden door de aarde opgeslokt.

De Egyptenaren probeerden in de grond te graven om zo de babytjes te vinden, maar HaKadosj Baroech Hoe deed nog een wonder: geen één baby werd geraakt. De Egyptenaren waren ervan overtuigd dat zij de babytjes met hun scheppen geraakt hadden, gingen vrolijk terug naar huis, waarna de aarde de kindertjes weer uitspuugde.

Zo gingen de jaren voorbij en toen de kinderen groot werden, zonden de engelen hen terug naar hun huis en naar hun ouders.

Toen nu Par’o zag dat al zijn inspanning niet hielp maar dat de Joden in aantal bleven groeien, liet hij twee joodse vroedvrouwen bij zich komen, Sjifra en Poe’ah. [14]Sjifra was in werkelijkheid Jochewed, de vrouw van Amram en de moeder van Aharon en Miriam (en naderhand zou zij ook de moeder worden van Mosjé Rabbeinoe) en Poe’ah heette eigenlijk Miriam, de dochter van Jochewed en Amram.

Toen de twee vroedvrouwen voor Par’o stonden sprak hij als volgt tegen hen: „Luistert goed naar mij, Sjifra en Poe’ah! Ik gebied jullie ieder jongetje dat geboren wordt bij de Joden, onmiddellijk te doden, alleen de meisjes mogen jullie in leven laten. [15]Want de Egyptische wijsgeren hebben mij verteld dat zij in de sterren gezien hebben dat er in de toekomst in Egypte een jongen geboren zal worden die het volk Israël zal verlossen en uit Egypte zal voeren. Daarom, ga nu terug naar jullie huizen en vanaf vandaag zullen jullie alle jongetjes die geboren worden, ombrengen.”

De vroedvrouwen waren echter G-dvrezende vrouwen en zij waren niet bang voor Par’o, hoewel zij wel wisten dat hun straf heel zwaar zou zijn als zij niet deden wat Par’o hun gezegd had. Maar zij hadden medelijden met de kinderen en lieten hen in leven. [16]Beter nog, wanneer zij bij een vrouw werden geroepen die moest bevallen, dan brachten zij haar en haar baby nog eten ook.

Toen Par’o zag dat de vroedvrouwen niet deden wat hij hen bevolen had, vroeg hij hun: „Waarom doen jullie niet wat ik jullie heb opgedragen?”

„Wij doen erg ons best om te doen wat u geboden heeft,” antwoordden de vroedvrouwen, „maar dat is niet van ons afhankelijk, want de joodse vrouwen zijn heel pienter en roepen ons niet om hen te helpen bij de geboorte van hun kinderen, maar zij krijgen hen zonder onze hulp, zodat wij de kinderen niet te zien krijgen.”

[17]Par’o geloofde hen en deed hen geen kwaad. En omdat Sjifra en Poe’ah de kinderen in leven lieten [18]beloonde HaKadosj Baroech Hoe Jochewed doordat Aharon, haar zoon, Cohen Gadol - Hoge Priester - werd en uit Miriam kwam Koning David voort, moge hij rusten in vrede. Maar op een dag kwamen de tovenaars van Egypte bij Par’o en zeiden tegen hem: „Vandaag is de redder van Israël geboren, maar wij weten niet of hij een Jood of een Egyptenaar is, maar hij moet gedood worden.”

Wat deed Par’o? Hij riep zijn dienaren en zei tegen hen: „Ga onmiddellijk naar de huizen van de Joden en ook naar de huizen van de Egyptenaren en pak hun baby’s. Ieder jongetje dat jullie vinden, of het nu een joods of een egyptisch jongetje is, gooien jullie in de rivier, zodat het zal verdrinken. Wij weten namelijk niet of de redder van Israël zal voortkomen uit Israël of uit een ander volk.”

De dienaren van Par’o gingen heen en gooiden alle baby-jongetjes die zij konden vinden in de rivier, of het nu Joodjes of Egyptenaartjes waren.

[19]Maar ook deze afschuwelijke maatregel had niet het door Par’o gewenste resultaat. Want een groot wonder gebeurde er met ieder joods kind dat in de rivier werd geworpen: zij werden meegesleurd naar de woestijn en daar werden zij verzorgd door dezelfde engelen die voorheen de kindertjes verzorgd hadden die op de velden achterbleven.

Zo leed Israël en werkten zij keihard; rugbrekende arbeid deden zij, en alleen met behulp van HaKadosj Baroech Hoe bleven zij in leven en stierven zij niet.

Samenvatting: Van het gedrag van de vroedvrouwen leren wij hoe goed wij moeten luisteren naar de stem van Hasjem, want zelfs toen Par’o hen bedreigde met hele zware straffen, luisteden zij niet naar hem en daarvoor werden zij tenslotte beloond.

ó   ó   ó

De geboorte van Mosjé

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

Rugbrekende arbeid

[1]. Sjemot Rabbah 1:7

[2]. Jafeh Einaim

[3]. Rasji 1:5

[4]. Sotah 11

[5]. Sjemot Rabbah 1:9

[6]. Sjemot Rabbah 1:11

[7]. Jalkoet Reoeweni

[8]. Sefer Hajasjar en Sjemot Rabbah 5:22

[9]. Sjemot Rabbah1:14

[10]. Jafeh Toar en Sjemot Rabbah 1:15

[11]. Bamidbar Rabbah 15,16

[12]. Sjemot Rabbah 1:15

[13]. Sjemot Rabbah 1:16

[14]. Sotah 11

[15]. Rasji 1:16

[16]. Sjemot Rabbah 1:19

[17]. Sjemot Rabbah 1:20

[18]. Sjemot Rabbah 1:21

[19]. Rasji 1:22