Archief

BESJALACH

DE SPLITSING VAN DE RIETZEE

De Israëlieten bevonden zich nu reeds buiten Egypte – het land waar zij zo veel en zo zwaar hadden geleden en nu zijn zij vrije mensen, die kunnen doen wat zij willen.

Daar gingen zij, in een lange karavaan-rij, terwijl ieder een stukje deeg op zijn hoofd had, ieders gezicht gericht naar het land Israël.

Maar wat is dat nu, de Israëlieten gaan helemaal niet rechtstreeks naar het land Israël via het land van de Filistijnen – en dat is toch zeker de kortste weg? Waarom nemen zij nu een omweg door de woestijn? Waarom laat Hasjem hen die omweg maken? Wanneer wij een antwoord willen weten op die vraag, dan moeten wij 30 jaar terug gaan in de geschiedenis.

[1]Precies dertig jaar voor de dag van vandaag, de dag dat het volk Israël uit Egypte trok, maakte de stam Efraïm een vergissing bij de berekening van het tijdstip van de bevrijding. Zij dachten dat de bevrijding al was aangebroken en daarom trokken de leden van die stam in het geheim reeds toen Egypte uit. Zij waren van plan om naar Erets Jisraël te gaan. En zij gingen via de kortste weg, via het land van de Filistijnen. Maar de Filistijnen lieten hen niet toe, maar trokken tegen hen op en doodden hen.

Daarom zei Hasjem nu: „Wanneer Israël nu door het land van de Filistijnen trekt en zij zien de botten van hun broeders, de leden van de stam van Efraïm, dan schrikken zij natuurlijk enorm en dan zullen zij vrezen dat de Filistijnen ook hen zullen vermoorden en dan zullen zij misschien terug willen gaan naar Egypte.”

[2]Deze woorden van Hasjem vervullen ons misschien met verbazing. Zouden de Israëlieten, die 220 jaar zo zwaar geleden hadden in Egypte, die zulke ware slavenarbeid hadden moeten verrichten, die zo hard en medogenloos geslagen waren door de egyptische slavendrijvers en die gezien hadden hoe de Egyptenaren hun kleine kinderen vermoordden, zouden die echt terug willen naar Egypte?

Maar omdat Par’o hen bij hun uittocht uit Egypte zoveel eer had bewezen, vreesde Hasjem dat de Israëlieten zich misschien zouden vergissen en zouden denken dat Par’o plotseling veranderd was in zijn houding ten opzichte van de Joden. En wanneer zij dan de botten van hun omgekomen broeders van de stam van Efraïm zouden zien zouden zij misschien toch weer terug willen keren naar het land van hun slavernij, naar Egypte. Het was om die reden dat Hasjem besloot om het volk Israël de lange weg door de woestijn te laten nemen.

En die honderdduizenden Joden liepen nu door die woestijn, Egypte uit, op weg naar Erets Jisraël. [3]Deze enorme menigte was overigens slechts één vijfde deel van de Joden die in Egypte gewoond hadden – alle overige Joden waren door Hasjem gedood tijdens de plaag van de duisternis, omdat zij zulke slechte mensen waren. Maar al diegenen die nu Egypte uittrokken waren allemaal voor de strijd gekleed en gereed om oorlog te voeren tegen ieder die iets kwaads tegen hen van zin was.

Maar nu ontstond er toch een probleem binnen het volk, want niemand, ook Mosjé en Aharon niet, wist in welke richting zij moesten gaan, hoe zij in Erets Jisraël moesten komen. Daarom zond HaKadosj Baroech Hoe een vuurzuil en een wolkzuil naar de Israëlieten om hen te leiden door de woestijn en om hen te helpen om in Erets Jisraël te komen.

De wolkzuil ging de gehele dag voor hen uit en het volk liep daar achteraan. Zodra het donker werd ging de wolkzuil weg en dan kwam daarvoor een vuurzuil in de plaats, die hen eveneens de goede weg wees en die hen tevens tot verlichting diende. Zo vergezelde de wolk van Hasjem de Israëlieten voortdurend, overdag in de vorm van een wolkzuil, ’s nachts in de vorm van een vuurzuil.

ó ó ó

[4]Het was donderdag toen Israël Egypte uitrok. Op die dag trokken zij uit het land Gosjen naar Ra’amses, dat nog binnen Egypte lag. De volgende dag, dus dat was vrijdag, trok Israël van Ra’amses naar Soekot en daar bleven zij over Sjabbat.

De volgende dag, zondag, vervolgden de Israëlieten hun tocht, totdat zij aan de rand van de woestijn Eitan kwamen. Daar ontdekten de soldaten van Par’o, die Israël bij hun uittocht begeleidden, dat het helemaal niet de bedoeling was van Israël om nog terug te keren naar Egypte, maar dat zij van plan waren verder te gaan, de woestijn door. Daarom zeiden zij tegen de Israëlieten: „Mosjé, jullie leider, heeft tegen onze koning gezegd dat jullie slechts voor drie dagen de woestijn in zouden trekken. Welnu, die drie dagen zijn al om, moeten jullie nu niet terugkeren?” Maar Israël antwoordde hen: „Wanneer Par’o zó graag wilde dat wij zijn land zouden verlaten, dat hij ons bijna midden in de nacht met het zwaard verjaagd heeft, waarom zouden wij dan terug keren?” De bewakers van Par''o antwoordden daarop: „Onze koning heeft ons opgedragen om jullie te begeleiden ten einde erop toe te zien dat jullie na drie dagen zouden terugkeren naar Egypte.”

Toen het volk zag dat het de bedoeling van de dienaren van de koning was om hen terug  te brengen naar Egypte, begonnen zij hen te vermoorden. Daarbij kwamen bijna al de koninklijke begeleiders om, maar die enkelen die wisten te onsnappen, keerden terug naar hun land, naar Egypte.

Nadat de afgzanten van Par’o gevlucht waren en teruggekeerd waren naar Egypte, nam Mosjé een trompet en blies daarop een lange trompetstoot – een teki’a – om het volk te verzamelen en toen het volk zich verzameld had, draaide Mosjé zich om en begon hij Israël terug te leiden in de richting van Egypte, naar Pie-Hachieroth, tussen Miğdal en de zee.

Toen de Israëlieten zagen dat zij teruggingen en Egypte weer naderden, vreesden zij dat Mosjé hen terug wilde brengen naar Egypte. Maar Mosjé stelde het volk gerust en zei tegen hen dat Hasjem hem had opgedragen dat zij moesten terug gaan, naar Pie- Hachiroth, zodat Par’o hen zou zien terugkomen naar Egypte en zou denken dat Israël verdwaald was in de woestijn. Daarom gingen zij nu terug opdat de Egyptenaren hen dan zouden achtervolgen en zo hun straf zouden krijgen.

Israël hoorde Mosjé aan en zei: „Alles wat Mosjé, de zoon van Amram, ons gebiedt te doen, dat zullen wij doen.”

Terwijl Israël in de richting van Pie-Hachiroth trok, zat Par’o in één van zijn schitterende paleis-kamers. Plotseling stormde enkele van zijn dienaren de kamer binnen, die de koning had meegestuurd met de Israëlieten. „Mijn Heer de Koning!” schreeuwden zij, „de Israëlieten zijn helemaal niet van plan om terug te keren naar Egypte, integendeel, zij willen er vandoor gaan!”

Nu kwamen ook de schriftgeleerden van Egypte binnen en zeiden tegen Par’o: „Koninklijke Hoogheid, wij hebben ook gezien dat de Israëlieten hun weg vervolgen naar de woestijn, zonder ook maar een ogenblik te aarzelen. Dat betekent dat zij de bedoeling hebben om te vluchten!”

Enige tijd later kwamen de schriftgeleerden terug en riepen: „Mijnheer de Koning, de Israëlieten keren plotseling terug, in de richting van Pie-Hachiroth, wij denken dat zij verdwaald zijn.”

De raadslieden en ook de leden van de huishouding van de koning hoorden de schriftge­leer­den aan en zeiden: „Waarom hebben wij Israël eigen­lijk Egypte uitgestuurd en hen bevrijd van de slavernij?”

Nu kreeg ook Par’o er spijt van dat hij Israël had weggestuurd en van pure ellende begon hij nu te huilen.

Toen Par’o uitgehuild was, dacht hij bij zichzelf: ‘Wanneer ik dan al zo stom ben geweest om Israël weg te sturen uit Egypte, dan kan ik in ieder geval nu zo verstandig zijn en mijn fout herstellen en hen achternagaan om hen weer terug te brengen naar Egypte.’

Onmiddellijk verzamelde Par’o heel zijn volk en zei tegen hen: „Luistert naar mij, Egyptenaren, wij hebben, dankzij het volk Israël, tien zware rampen moeten doorstaan, en alsof ons lijden daarmee nog niet genoeg is geweest, namen de Israëlieten ook nog al onze bezittingen mee toen zij Egypte uittrokken en daar vluchten zij nu mee de woestijn in. Laten wij hen daarom achternagaan en hen terugbrengen naar ons land, zodat wij weer slaven zullen hebben, die gratis voor ons kunnen werken. Dan zullen wij spoedig weer net zo rijk zijn als voordat de Israëlieten Egypte uittrokken.”

[5]En weet, Egytenaren,” zo vervolgde Par’o, „dat ik niet ben zoals andere koningen, die hun volk de oorlog insturen en zelf in de achterhoede blijven. Ik zal jullie aanvoeren en voorop gaan en jullie volgen mij. Ik zal ook niet al de buit, die wij op de Joden zullen veroveren, voor mijzelf houden, zoals alle andere koningen doen, maar ik zal alles eerlijk met jullie delen.”

„En nu, vooruit!” riep Par’o, „achter de Israëlieten aan!” Het hele volk juichte bij die woorden van de koning en korte tijd daarna was iedereen klaar om achter de Israëlieten aan te gaan, die zich intussen in de woestijn bevonden. [6]Voorop snelde Par’o die heel alleen zijn eigen strijdwagen en paard bestuurde.

Daar gingen de Egyptenaren, in een lange optocht, om de Israëlieten terug te halen.

In het Israëlisch kamp heerste volmaakte rust, toen  er plotseling een luid geschreeuw opklonk: „De Egyptenaren! De Egyptenaren komen! Ze komen achter ons aan!”

Onmiddellijk begon iedereen door elkaar te lopen en probeerde iedereen een uitweg te vinden en te vluchten voor de Egyptenaren, maar o wee, voor hen uit lag de zee, de Rietzee, aan beide zijden lag de verzengende woestijn en achter hen … de Egyptenaren.

[7]Israël was vreselijk bang voor de Egyptenaren en zij vreesden dat Par’o hen allen zou vermoorden. Maar nog meer vreesde Israël dat Hasjem hen niet zou helpen en dat al die wonderden, die Hasjem voor hen gedaan had, niet anders gediend hadden dan om Par’o te straffen omdat die hen zo had onderdrukt en zulke zware slavenarbeid had laten doen.

[8]Het volk ging zich nu beraden hoe zij zich van de Egyptenaren zouden kunnen redden en tenslotte ontstonden er vier groepen die allen een andere oplossing bedachten. De stammen Reoeween, Sjim’on en Jissachar zeiden: „Het is beter wanneer wij ons in de zee laten vallen dan dat wij in handen zullen vallen van de Egyptenaren.” Daartegenover beweerden de stammen Zwoeloen, Naftalie en Binjamin: „Wij gaan liever terug naar Egypte, terug de slavernij in, dan dat wij de dood ingaan.”

„Nee, zeker niet,” riepen de stammen Jehoedah en Joseef, „wij laten ons niet meer onderwerpen, laten wij ten oorlog trekken tegen de Egyptenaren.”

En de stammen Levie en Gad zeiden: „Laten wij allen gezamelijk heel hard schreeuwen, zodat de vijand schrikt en in de war raakt en op de vlucht gaat.”

Mosjé luisterde geduldig naar al die adviezen en gaf daarna iedere stammengroep antwoord. Tot de stammen Reoeween, Sjim’on en Jissachar zei Mosjé: „Kom op, zie de wonderlijke redding van Hasjem en Zijn wonderen, en dan zullen jullie zien dat jullie je niet in de zee hoeven laten vallen.” [9]„Maar Rabbeinoe,”, wierpen de stammen tegen, „wanneer komt dan die verlossing?” „Morgen,” antwoordde Mosjé, „morgen zullen jullie allen verlost worden.”

„Maar misschien houden wij het niet uit tot morgen,” riepen de stammen.

„In orde, ” antwoordde Mosjé, wanneer jullie niet tot morgen kunnen wachten, dan komt de verlossing vandaag!” En Mosjé liet het volk de dienstdoende engelen zien die klaarstonden om hen te hulp te komen.

Nu waren de stammen Reoeween, Sjim’on en Jissachar gerustgesteld en wilden zij zichzelf niet meer in de zee werpen.

Daarna wendde Mosjé zich tot de stammen Zwoeloen, Naftalie en Binjamin en zei tegen hen: „Ga niet terug naar Egypte, want vandaag is  het de laatste keer, dat jullie de Egyptenaren zullen zien.”

Ook deze stammen hadden volledig vertrouwen in de woorden van Mosjé en besloten niet meer terug te gaan naar Egypte. Nu richtte Mosjé zich tot Jehoedah en Joseef: „Jullie hoeven niet met Egypte oorlog te voeren, want Hasjem zal voor jullie de strijd voeren.”

En tenslotte sprak Mosjé tot de stammen Levie en Gad: „Stil! Inplaats van te schreeuwen opdat de Egyptenaren in de war zullen raken, kunnen jullie beter je opmaken en Hasjem lof toe zingen en bejubelen en Halleel zeggen!”

[10]Israël deed precies zoals Mosjé hen geboden had en bovendien deden zij tesjoewa - toonden zij oprecht berouw - over al hun zonden en Mosjé stond op en begon te dawenen tot Hasjem en zei: „Heer der wereld, ik ben als een herder die zijn kudde naar de top van de berg brengt maar die niet weet hoe hij hen weer naar beneden moet brengen. In die toestand, Hasjem, bevind ik mij nu. Ik heb het volk Israël naar een woeste, verlaten woestijn gebracht, maar ik weet niet hoe ik hen redden moet uit deze nood.”

[11]HaKadosj Baroech Hoe antwoordde Mosjé echter: „Het is nu geen tijd om uit te wijden in gebed, want Israël is nu in groot gevaar. En bovendien is het gebed van Israël zelf al verhoord, daar hoef jij niets meer aan toe te voegen. En nu, Mosjé, ga de Israëlieten zeggen dat zij zich moeten verzamelen en verder optrekken, de zee over en op grond van de verdiensten van hun heilge voorvaderen, en ook omdat zij jou zonder enige aarzeling gevolgd zijn, Mosjé, zal Ik voor hen een groot wonder verrichten en hen redden.”

Het volk Israël deed precies wat Hasjem hen gezegd had te doen. Toen het donker werd trokken zij op in de richting van de zee, terwijl de vuurzuil hun de weg verlichtte en hen leidde. [12]Die avond werd Israël echter niet alleen door de vuurzuil begeleid, maar ook door de wolkzuil, die achter hen kwam en die het volk Israël beschermde tegen de pijlen die de Egyptenaren op hen schoten. En de wolkzuil ver­duis­terde alles voor de Egyptenaren, zodat de duister­nis opnieuw tastbaar voor hen werd, zoals tijdens de plaag van de duisternis. Het gevolg daarvan was dat de Egyptenaren niet meer van hun plaats konden komen.

Maar de Egyptenaren konden wel heel goed zien wat er gebeurde in het leger­kamp van de Israëlieten. Daar zagen zij hoe blij de Israëlieten waren en hoe zij Hasjem hun G-d dankten. Dat maakte de Egyptenaren nog kwader, en omdat zij de Israëlieten niet konden benaderen en hen niets konden doen.

[13]Zo trok Israël verder op in de richting van de zee, totdat zij aan het strand van de zee stonden. Echter niemand durfde in de zee te springen en iedere stam wachtte tot een andere stam het eerst in het water zou springen.

Maar plotseling sprong Nachsjon ben ’Aminodav van de stam Jehoedah in het water en direct daarna sprong heel zijn stam hem achterna en daarna sprong heel Israël de zee in.

Toen Mosjé dat zag bad hij opnieuw tot HaKadosj Baroech Hoe, maar Hasjem zei tegen hem: „Mijn kinderen staan op het punt te verdrinken in de zee en jij staat maar te bidden? Hef je staf omhoog en splijt de zee in tweeën!”

Mosjé deed wat Hasjem hem gezegd had en onmiddellijk begon een sterke wind te blazen die het water van de zee deed opdrogen en toen Israël al op het punt stond te verdrinken in de zee werd deze plotseling in tweeën gespleten en Israël kon nu verder lopen over vaste, droge grond. [14]Aan weerszijde van hen rees het water omhoog als twee bevroren muren. Zo liep Israël in het midden door de zee, terwijl zij luidkeels lof- en dankliederen voor HaKadosj Baroech Hoe zongen. De één na de andere stam ging door de zee en de rij werd afgesloten door de wolkzuil die hen nog steeds bleef beschermen tegen de Egyptenaren, want die probeerden nog steeds dichterbij te komen. Toen de Egyptenaren zagen hoe de Joden de zee in sprongen en dat hen dat niet deerde, besloten ook zij hen achterna te gaan, de zee in. [15]Maar opdat moment begon de vuurzuil de aarde te verhitten, waarop de Egyptenaren stonden en door de hitte braken de wielen van hun strijdwagens. De wagens en hun berijders begonnen nu hevig te slingeren en dat bezorgde de berijders geweldige pijn.

Toen de Egyptenaren zagen dat Hasjem opnieuw voor Israël streed en dat zij opnieuw gestraft werden, kregen zij enorme spijt dat zij Israël hadden willen terug­bren­gen naar Egypte en reeds begonnen zij te vluchten. Maar toen zei Hasjem tegen Mosjé: „Strek je hand nog eens uit naar de  hemel, dan zullen de muren van water zich weer in de zee storten en zij zullen weer een woedende zee worden.” Mosjé hief zijn hand op naar de hemel, en de watermuren keerden terug naar hun normale toestand en werden weer een woedende, ziedende zee.

De Egyptenaren die al in de zee waren werden nu heen en weer geslingerd door de woeste golven, nu eens werden zij naar boven geworpen en dan weer naar beneden gesleurd, totdat allen dood waren en verdronken in de diepten van de zee.

[16]Alleen Par’o, de koning van Egypte redde HaKadosj Baroech Hoe opdat een grote angst Par’o zou overvallen vanwege het grote ongeluk dat zijn volk was overkomen en wegens hun dood en wegens de overwinning van het volk Istraël.

[17]Jullie zult je nu wel afvragen waarom Hasjem het egyptische volk juist op deze wijze strafte. Het antwoord is, dat Hasjem altijd iemand straft over­een­komstig zijn zonden. En zoals de Egyptenaren de Joodse jongetjes probeerden te verdrinken in het water van de rivier, zo verdronk Hasjem hen nu in het water van de zee.

Toen Israël het grote wonder zag dat Hasjem voor hen verricht had, hieven zij allen een lof- en danklied aan voor Hasjem en zei zongen het Lied van de Zee: „Ik wil zingen voor Hasjem, want hij is hoogver­heven,” enz.

Tot vandaag de dag zeggen wij iedere dag dit lied, dat het volk van Israël zong aan de oever van de zee – Sjierat Hajam – na de Psoekei De Zimra.

Maar ook de vrouwen en met name Miriam, de zuster van Mosjé en Aharon begonnen te zingen voor Hasjem, met behulp van muziekinstrumenten, die zij hadden meegenomen van de Egyptenaren. [18]Want zij waren ervan overtuigd geweest dat Hasjem een groot wonder voor hen zou verrichten en dan wilden zij Hem een danklied toezingen, met behulp van muziekinstrumenten.

Samenvatting: Te midden van al de grote wonderen die Hasjem verricht, kunnen wij ook Zijn grote kracht  herkennen.

ó ó ó

De jammerklachten van Israel

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[1].  Sjemot Rabbah 20:10

[2].  Alsjiech

[3].  Rasji 13:18

[4].  Mechilta 81

[5].  Rasji 14:6

[6].  Mechilta 82

[7].  Divrei Sjalom wechesef nivchar

[8].  Sefer Hajasjar en Verklaringen op Targoem Jonathan

[9].  Mechilta 82

[10]. Tanchoema 9, en Jalkoet Sjim’oni

[11]. Rasji 14:15, Targoem Jonatan en Mechilta

[12]. Rasji 14:19 en Mechilta 84

[13]. Sota 37a en Mechilta 85

[14]. Peroesj op Targoem Jonathan in  naam van M.R.

[15]. Mechilta

[16]. Sefer Hajasjar

[17]. Sjemot Rabbah 23:10

[18]. Rasji 15:20