Archief

JITRO

De Tien geboden

Eindelijk brak de grote dag aan, de zesde dag van de maand Siwan. Vroeg in de ochtend waren de donderslagen al te horen en de bliksemschichten schoten door de lucht. Hasjem daalde neer op Har Sinai – op de berg Sinai ­– en het geluid van de Sjofar  klonk zeer sterk over het legerkamp, 1en het werd steeds sterker en sterker.

Het bazuingeschal van HaKadosj Baroech Hoe klonk niet als het bazuingeschal van een mens, want wanneer een mens lang achterelkaar op een bazuin blaast, dan wordt het geluid geleidelijk zwakker, terwijl nu, dat HaKadosj Baroech Hoe blies, het geluid steeds sterker werd. Het volk hoorde dat en schrok daar geweldig van. Nu nam Mosjé heel het volk mee naar de voet van de berg.

Daar onthulde zich voor de ogen van Israël een magnifiek gezicht, de berg Sinai was geheel gehuld in een dichte rookwolk als van een hoogoven. 2Toen gebeurde er een wonder: iedereen die tijdens het werk in Egypte gewond geraakt was, werd nu plotseling genezen. Iemand wiens voet verlamd was geweest, kon zijn voet plotseling weer normaal bewegen. Wie blind was geworden of doof of stom kon plotseling  weer zien of horen of praten. Zo kon iedereen de tien geboden aanhoren. Toen Mosjé uitgepraat was riep Hasjem hem en Mosjé steeg de berg op en daar zei HaKadosj Baroech Hoe tegen hem: „Ga naar beneden en waarschuw het volk dat niemand de berg aanraakt, 3want als ook maar één mens sterft omdat hij de berg te dicht heeft genaderd, dan is dat in Mijn ogen alsof velen stierven. Waarschuw ook de priesters, Mosjé, dat zij de berg niet opgaan, hoe belangrijk zij ook zijn.” Mosjé antwoordde: „De Israëlieten kunnen de berg niet opgaan want U heeft mij opgedragen de berg af te perken op een afstand van 2.000 ama.” 4Maar Hasjem zei tegen Mosjé: „Ga naar be­neden en jij en Aharon en de priesters en de Oudsten zullen dicht bij de berg gaan staan. Jij gaat bij de voet van de berg staan en Aharon, je broer zal achter jou staan en al de priesters zullen zich opstellen tussen het volk en Aharon in.”

Mosjé ging weer naar beneden en deelde het volk mee wat G-d gezegd had. Iedereen stelde zich nu op zoals hem geboden was en iedereen wachtte gespannen af op de dingen die zouden komen.

5Zo stond alles en iedereen doodstil, het was alsof heel de wereld en heel de natuur verstilde, geen vlieg zoemde, geen vogel tjilpte en Israël durfde nauwlijkse hun ogen te bewegen zo gespannen keek iedereen op naar de berg Sinai. Steeds luider klonk het geluid van de Sjofar, totdat Israël het geluid zelfs kon zien. En dan  verhief Hasjem Zijn stem en riep:

„Ik ben Hasjem, je G-d, die je heeft uitgevoerd uit het land Egypte, uit het slavenhuis. Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij.” Het volk schrook enorm en werd ontzettend bang toen de Sjechiena over hen heen kwam, totdat iedereen trilde en beefde van ontzetting. 6En uit pure angst deinsden zij achteruit, weg van de berg, en zij trokken zich terug totdat zij op een afstand van 12 mijl stonden van de berg. Reeds voelden zij hoe hun levensadem uit hen wegtrok.

Onmiddellijk liet HaKadosj Baroech Hoe leven­verwekkende dauw op hen neer dalen en zo bracht Hij hen opnieuw tot leven. Daarna daalden dienstdoende engelen neer en hielpen het volk terug te keren naar hun plaats.

En opnieuw verhief Hasjem Zijn stem  en riep:

„Je zult geen andere goden hebben” en opnieuw week Israël achteruit en verliet hun levensadem hen maar opnieuw kwamen de engelen en brachten hen terug. Maar nu riep het volk om Mosjé en zij zeiden: „Rabbeinoe, wilt u alstublieft met ons spreken, want wij kunnen die ontzagwekkende stem van Hasjem niet aanhoren.”

7Mosjé stelde hen gerust en zei: „Vreest niet, want HaKadosj Baroech Hoe doet dit alles niet om jullie angst te bezorgen, maar het tegendeel, Hij wil jullie verheffen boven alle andere volken van de wereld en Hij wil de andere volken laten zien dat jullie zó hoog verheven zijn, dat Hijzelf aan jullie verschijnt.”

Mosjé ging nu naar boven, de berg op en verdween in de dichte wolk en sprak de tien geboden uit:

  1. Ik ben Hasjem, je G-d, die je heeft uitgevoerd uit het land Egypte”, dat wil zeggen dat wij moeten weten dat HaKadosj Baroech Hoe ons uit Egypte heeft gevoerd om Hem als volk te dienen.

  2. Laten er geen andere goden voor je zijn naast Mij.” Joden moeten zich ver houden van awoda zara – afgodendienst – in welke vorm dan ook, of dat nu is in de vorm van afgodsbeelden of enige afbeelding van een gestalte van wat boven in de hemel is, noch wat beneden op de aarde is noch wat in het water is.
    Ik ben een alles opeisende G-d … die liefde bewijst tot in het duizendste geslacht”. Hasjem vergeeft niemand die niet naar Zijn stem luistert en zich aan afgoderij overgeeft. Hij straft iemand die zich daaraan bezondigt en ook zijn kinderen en kleinkinderen zullen daarvoor gestraft worden als zij de zelfde slechte weg opgaan als hun ouders. Maar diegenen die de mitswot liefhebben en zich daaraan houden, die zullen rijkelijk beloond worden. Hasjem zal zich hun goede daden nog veel langer herinneren dan de slechte daden van de booswichten. Aan hen zal Hasjem tot in duizend geslachten gunsten bewijzen, dat wil zeggen dat al de latere geslachten kunnen rekenen op de goed­gunstigheid van Hasjem, dankzij de goede daden van de voorvaderen.

  3. Spreek de Naam van Hasjem, je G-d, niet voor niets uit.” Wie de Sjeem Hasjem – de Naam van Hasjem – voor niets uitspreekt, die zal zeker gestraft worden.

  4. Denk steeds aan de Sjabbat, door hem wijding te geven.” Gedurende de gehele week moet men eraan denken dat het binnenkort Sjabbat is. Daarom, als iemand een mooi kledingstuk vindt of een smakelijk stuk voedsel, dan moet hij dat bewaren tot Sjabbat. En hoe geeft men wijding aan de Sjabbat? Door de Kiddoesj bij het begin van de Sjabbat en de Havdalah  bij het einde van de Sjabbat. Zes dagen mag men werken, maar op de zevende dag is het een rustdag. Ook voor de be­dienden en het personeel van de Joden en zelfs voor hun dieren is het Sjabbat, zij allen mogen op Sjabbat geen werk verrichten voor een Jood. En waarom moeten wij dan rusten? Om daarmee te herinneren dat Hasjem de wereld in zes dagen ge­schapen heeft en dat Hij op de zevende dag rustte.

  5. Eer je vader en je moeder.”

  6. Moord niet!

  7. Pleeg geen echtbreuk!” Het is ieder mens verboden om met de vrouw van een andere man te trouwen.

  8. Steel niet!

  9. Treed niet als valse getuige op tegen je naaste.” Dat wil zeggen dat het verboden is om voor een Beit Din – een rechtbank – een valse getuigenis af te leggen tegen iemand. Maar onder dit verbod valt iedere valse beschuldiging die iemand doet over een ander, ook als dat niet voor een Beit Din is.

  10. Begeer niet wat van een ander is.” Wees niet jaloers op wat een ander heeft. Probeer niet door middel van listen en slimmigheidjes te verkrijgen wat van een ander is.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

1. ’Ewen ’Ezra 19:23,25.

2. Tanchoema 8.

3. Mechilta.

4. Rasji 19:24.

5. Sjemot Rabbah 29:9.

6. Sjabbat 88b.

7. Mechilta.