Archief

Bo

DE TIENDE PLAAG VAN DE EERSTGEBORENE

Voordat Hasjem de straf van de eerstgeborenen over Egypte liet komen, die tenslotte ertoe zou leiden dat het volk Israël Egypte zou kunnen verlaten, wilde Hij Israël voorbereiden  op hun aanstaande vertrek. Daarom riep Hij Mosjé en zei: „Zeg tegen de Israëlieten dat op de tiende van deze maand, dat wil zeggen 10 Nisan, iedere familie een lammetje neemt of een jong geitje. Het beestje mag geen enkel gebrek hebben en het moet een mannetje zijn, geen vrouwtje! En het moet nog in zijn eerste levensjaar zijn. Maar wanneer er een kleine familie is met maar weinig familileden, die met hun allen niet in staat zijn een heel lam of geitebokje op te eten, dan kunnen zij het samen met een andere familie opeten.

Ieder lammetje of bokje moet gedurende vier dagen zorgvuldig gecontroleerd worden, of het wel gezond en heel is, van de 10de tot de 14de Nisan. Wanneer dan blijkt dat het beestje gezond en heel is, dan moet iedere familie zijn beestje slachten op de veertiende dag in de namiddag. Het bloed van het lammetje moet men opvangen in een kommetje. Daarna neemt men een bundel Hyzop, dat is een soort gewas, doopt dat in het bloed en ieder huis zal daarmee de bovendorpel en de deurposten bestrijken.

Het lammetje moet in zijn geheel geroosterd worden boven het vuur. Men moet het eten zoals koningen eten, zonder dat er een botje aan wordt gebroken. Samen met het vlees moet men matsot en maror - bitterkruiden - eten. Die zullen het bittere leven van de Israëlieten in Egypte symboliseren. Men moet het vlees van het lammetje voor middernacht opeten, zodat er niets van overblijft. En als er toch iets van het vlees overblijft, moet men dat verbranden. De Israëlieten moeten het in haast eten, terwijl zij reeds voor de reis gekleed en gereed zijn. En als de Israëlieten het Korban Pèsach - het Pèsachoffer - eten, zal Ikzelf, Hasjem, de G-d van Israël, het land Egypte overtrekken en alle eerstgeborenen van Egypte treffen en hen doden, van de eerstgeborene onder de  mensen tot de eerstgeborene van het vee. Alleen die huizen waar aan de bovendorpel en aan de deurposten het bloed gesmeerd is, dat wil dus zeggen de joodse huizen, die zal Ik niet treffen. Maar wanneer een egyptische eerstgeborene zich daar zou verbergen, dan zal Ik hem vinden en daar treffen en dan zal hij zeker gedood worden. Ter herinnering aan het Korban Pèsach dat Ik Israël geboden heb te brengen op de 14de Nisan (de avond van de 15de), zal Israël altijd ieder jaar het Pèsachfeest blijven vieren.”

HaKadosj Baroech Hoe vervolgde en zei tegen Mosjé: „Ik wil dat jij ook Israël waarschuwt, dat niemand van hen zijn huis verlaat gedurende de hele nacht, tot het eerste ochtendlicht. [i]Want op die nacht krijgen de verderfengelen de gelegenheid om alles te vernietigen en ieder die zich dan buiten bevindt, of het nu een Jood of een Egyptenaar is, die loopt dan de kans getroffen te worden.”

[ii]Hasjem gebood Israël speciaal een jong geitje of een jong schaapje te slachten omdat Hij de Egyptenaren wilde straffen naar hun eigen maatstaf. De Egyptenaren hadden de nare gewoonte om de Joden eropuit te sturen om voor hen dieren te zoeken in het bos, die zij dan voor de ogen van de Joden op het vuur roosterden en opaten, terwijl de Joden, die bijna niets te eten hadden, hongerig moesten toekijken. En nu zette HaKadosj Baroech Hoe hen dat betaald. Nu slachtten de Israëlieten honderd­duizenden schapen, die de afgoden waren van de Egyptenaren en roosterden zij het vlees op het vuur, zodat de geur van het gebraad zich over heel Egypte verspreidde. De Egyptenaren roken dat en ergerden zich enorm dat de Joden hun afgoden slachtten en in het vuur verbrandden. Maar uit angst voor Hasjem durfden en konden zij niets doen.

Israël haastte zich alles te doen, precies zoals Hasjem hen geboden had. Ieder familiehoofd ging naar de markt om daar een schaapje uit te zoeken dat geschikt was om voor Hasjem geofferd te worden. Dan nam  hij dat mee naar huis en daar bewaakte hij het gedurende vier dagen, zoals Hasjem gezegd had. En op de 14de slachtten zij allemaal de schaapjes die zij gekocht hadden en het bloed daarvan vingen zij op in een kommetje en streken dat aan de bovendorpel en aan de deurposten van hun huizen.

Daarna aten zij allemaal van het schapenvlees, weliswaar gehaast, maar toch zoals koningen eten, zonder een botje te breken. Zo zat het hele volk die avond thuis te eten en te genieten van het geroosterde vlees, terwijl zij gereed waren om Egypte te verlaten. Terwijl de Joden zo gezellig samen zaten te eten, brak er voor Egypte het uur der vergelding aan. HaKadosj Baroech Hoe trok over Egypte van huis tot huis en in ieder huis doodde Hij de eerstgeborene van de Egyptenaren, of dat nu een eerstgeboren mens was of een eerstgeboren dier. Maar in ieder huis waar de bovendorpel en de deurposten met bloed bestreken waren, dat wil zeggen de joodse huizen, daar werd niemand getroffen. Maar als zich daar een egyptische eerstgeborene schuil hield, dat moest ook hij sterven.

[iii]Echter niet alle egyptische eerstgeborenen stierven, twee bleven er in leven, Par’o en zijn dochter Batja. Par’o doodde Hasjem niet, omdat Hij wilde dat Par’o de val van zijn rijk zou zien en dat hij de vele grote wonderen zou zien die Hasjem voor Israël verrichtte en nog zou verrichten.

En Batja, de dochter van Par’o stierf niet omdat Mosjé voor haar bad dat zij in leven zou blijven en zijn gebed werd verhoord.

Die nacht, terwijl Par’o in alle rust en kalmte lag te slapen, werd hij plotseling gewekt door een luid geschreeuw: „Help, help, redt ons! Onze kinderen sterven!”

Onmiddellijk stond Par’o op en ging kijken in de huizen van Egypte wat daar gebeurde. [iv]Toen hij dat zag en hoorde ging hij onmiddellijk weer naar buiten de straat op en riep overal: „Mosjé, Aharon! Waar zijn jullie?” Toen de Joden dat zijn geschreeuw hoorden, keken zij naar buiten om te zien wat er aan de hand was. En daar zagen zij Par’o door de straten rennen en schreeuwen. Iedereen vroeg: „Wat is er met u aan de hand, koning? Wat is er gebeurd? Dat past toch niet een koning om in het holst van de nacht door de straten te rennen en te schreeuwen alsof hij zelf geslacht wordt?”

„Ik zoek Mosjé en Aharon,” hijgde de koning. Alsjeblieft help mij hen te zoeken of zeg mij tenminste waar zij wonen. Ik heb ze iets heel belangrijks te vertellen.” Nu was het de beurt van de Joden om Par’o uit te lachen en ze begonnen allemaal tegelijk door elkaar te praten. De één zei: „Hier woont Mosjé, de eerste straat rechts.” „Nee,” riep een ander, „hij woont in de tweede straat links.” „Wel nee,” schreeuwde een derde, „jullie weten er niets van, hij is mijn buurman, hij woont tegenover mij.” Zo ontstond er grote verwarring, Par’o zocht en zocht maar vond Mosjé en Aharon niet.

[v]Intussen was het volk van Egypte bezig een opstand te organiseren tegen hun koning, maar Par’o lette daar helemaal niet op en riep maar: „Help mij toch Mosjé te vinden zodat ik een einde kan maken aan onze ellende.”

Toen Par’o tenslotte Mosjé dan toch gevonden had, begonnen hij tegen hem te bidden en te smeken: „Alstublieft, mijnheer Mosjé, wilt u altsublieft mijn land verlaten en Hasjem uw G-d dienen, jullie allemaal, mannen vrouwen, kinderen. En neem al jullie vee mee. En als jullie willen kunnen jullie mijn vee er nog bij krijgen ook, maar ga! Ga nú!”

[vi]Nu begonnen ook de dienaren van Par’o te schreeuwen: „Stuur ze voor goed weg, o koning, laat ze nooit meer terug komen, alstublieft! Ons lijden is genoeg geweest, stuur hen weg!” [vii]Pas toen ontdekte Par’o tot zijn verbazing dat zijn volk tegen hem in opstand was gekomen. Zij riepen nu allemaal: „Jaag het volk Israël Egypte uit, laat hen nooit meer terugkomen.”

Maar nu was het de beurt van Mosjé om Par''o uit te lachen: „Ziet u, Par’o, u had gezegd dat ik niet meer bij u mocht komen. En zo is het ook gebeurd, want nu bent u naar mij toe gekomen. „Ja, ja,” antwoordde Par’o, „dat is goed, maar ga nu direct, waar wachten jullie nog op?”

„Nee,” reageerde Mosjé, „wij kunnen toch niet ’s nachts vertrekken, zoals dieven die ’s nachts rondsluipen. Als het licht wordt, dan vertrekken wij. [viii]Wij trekken openlijk uit Egypte, zodat heel het volk de grootheid van HaKadosj Baroech Hoe kan aan­schouwen en de wonderen kan zien die Hij voor ons doet. En intussen, tot de ochtend, gaat u de straten op van Egypte en Gosjen en u roep om en laat omroepen dat vanaf nu de Israëlieten vrije mensen zijn en geen slaven meer en dat zij vrij zijn om te vertrekken uit Egypte.”

En dat deed Par’o, hij ging de straat op en riep overal met luide stem: „Ik Par’o, koning van Egypte, maak hierbij bekend, dat de Israëlieten vanaf nu geen slaven meer zijn maar vrije mensen en zij mogen gaan en staan waar zij willen.”

Vanaf dat moment stopte de plaag van de eerstegeborenen en stopte ook de opstand tegen de koning, de rust keerde terug in het land.

Conclusie: Aan de plagen die Hasjem op Egypte liet neer­komen kunnen wij zien hoe zeer Hasjem Zijn volk liefheeft, en dat Hij diegenen die hen te na komen zeer zwaar straft. Daarom moeten ook wij onze vriendjes niet plagen.

De Uittocht uit Egypte

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i].   Baba Kamma 60a

[ii].   Sjemot Rabbah 16:3,4

[iii].   Sjemot Rabbah 18:3 en Jafeh Toar

[iv].   Rasji 12:31, Jalkoet en Mechilta.

[v].   Sjemot Rabbah 18:8

[vi]. Alsjiech

[vii]. Zohar

[viii]. Sefer Hajasjar, Alsjiech en Rif.