Archief

JITRO

Deel III: ISRAËL KRIJGT DE TORA

De voorbereiding

We hebben reeds verteld hoe Israël op 15 Nisan uit Egypte was weggetrokken en sedert dien van plaats tot plaats door de woestijn zwierf, 1totdat zij op Rosj Chodesj Siwan – dat is de eerste dag van de joodse maand Siwan – aankwamen in Refiediem, in de woestijn Sinai. En hier, in de woestijn Sinai, besloot HaKadosj Baroech Hoe dat de tijd was aan­gebroken dat Israël de Tora in ontvangst zou kunnen nemen, want daarvoor had Hasjem hen uit Egypte gevoerd.

HaKadosj Baroech Hoe wist echter wel, dat wan­neer Hij de Tora aan Israël zou geven, voordat Hij aan de andere volken van de wereld gevraagd had of zij de Tora wilden hebben, dan zouden die volken met klach­ten bij Hem komen en vragen waarom hen niet de mogelijkheid was gegeven om G-ds mitswot te doen. 2Daarom ging HaKadosj Baroech Hoe naar Edom, de nakomelingen van ’Esav, en vroeg hen: „Volk van Edom, willen jullie de Tora ontvangen?” Edom vroeg hierop: „Wat staat daarin geschreven?”

„Moord niet!” antwoordde Hasjem.

„Dan kunnen wij de Tora niet accepteren,” antwoordde Edom, „want Jitschak, de vader van Esav, (die ook Edom genoemd wordt) zegende Esav dat hij van zijn zwaard zou leven, dus hoe zouden wij het gebod van Tora: ‘Moord niet!’ kunnen nakomen, wanneer wij leven van moord?”

Daarop ging Hasjem naar het volk van Jisjma’el en vroeg hen: „Volk van Jisma’el, willen jullie Mijn Tora accepteren?” „Wat staat daar in?” vroegen zei.

„Steel niet!” antwoordde Hasjem.

„O nee,” antwoordden de Jisjma’elieten, „wij kunnen de Tora niet accepteren, want wij lijken op Jisma’el, onze voorvader, en zoals hij van de mensen roofde en hen terroriseerde, zo overvallen ook wij iedereen die ons langs de weg passeert.”

Zo ging Hasjem van het ene volk naar het andere volk. Maar ieder volk vond wel een reden of een gebod dat voor hen onaanvaardbaar was, zodat zij de Tora niet konden accepteren.

Tenslotte wendde Hasjem zich tot de Israëlieten en vroeg hen: „Willen jullie Mijn Heilige Tora accep­teren?”

2*„Wat kost dat?” vroegen de Joden. „Het is gratis, antwoordde Hasjem”. „Geef ons er dan maar twee”, riep iedereen opgewekt in koor, „en dan doen wij alles wat er instaat.”

Toen HaKadosj Baroech Hoe hoorde hoe Israël bereid was zich aan Tora te houden, nog voordat zij wisten wat daarin stond, gebood Hij Mosjé naar de top van de berg te klimmen op de tweede dag dat zij in de woestijn gelegerd waren.

3En zo stond Mosjé de volgende dag vroeg op om naar de top van de berg te klimmen die Hasjem hem had aangewezen. En vandaar nam Hasjem hem, terwijl hij nog leefde en gezond was, mee naar boven naar de Hemel.

4De dienstdoende engelen, die zagen dat er een mens bij hen kwam, vroegen aan HaKadosj Baroech Hoe: „Heer der wereld, wat doet een mensenkind bij ons?”

Antwoordde Hasjem: „Ik heb hem hierheen gebracht, want het is Mijn wens om hem Mijn Heilige Tora te geven.”

„Schepper van de wereld,” zeiden de engelen, „wij hebben maar één verlangen in de wereld, en dat is de Tora, en U gaat die weggeven aan de mensen, die op een lager niveau leven dan wij? Laat de Tora toch alstublieft hier bij ons en wij zullen Tora handhaven.”

Daarop wendde HaKadosj Baroech Hoe zich tot Mosjé en zei: „Mosjé, wat is daarop je antwoord aan de engelen!”

„Maar ik vrees dat zij mij met hun woorden zullen verbranden,” antwoordde Mosjé. „Houdt je dan goed vast aan Mijn troon als je hen antwoord geeft,” zei Hasjem.

Mosjé hield zich nu stevig vast aan de Troon der Heerlijkheid van Hasjem en vroeg: „Heer der wereld, wat staat er in de Tora die U mij wilt geven?”

„Er staat in dat Ik Hasjem, je G-d ben, en dat je geen andere goden zult hebben.”

Mosjé keerde zich nu naar de dienstdoende engelen en zei: „Bestaat er bij jullie dan avoda zara – afgodendienst? Kennen jullie dan andere goden behal­ve HaKadosj Baroech Hoe, die jullie zouden kunnen aanbidden?”

Opnieuw vroeg Mosjé aan Hasjem: „Wat staat er nog meer in de Tora?”

„Heb eerbied voor je vader en je moeder,” ant­woordde HaKadosj Baroech Hoe.

„En hebben jullie ouders die je kunt eren?” vroeg Mosjé nu aan de engelen. „Alleen in onze wereld bestaan vaders en moeders, dus alleen wij kunnen de Tora helemaal naleven!”

De engelen begrepen dat Mosjé gelijk had en zij werden nu vriendelijk tegen hem. 5Zij onthulden hem nu allerlei geheimen en de doodsengel onthulde hem zelfs hoe men eenvoudig een dodelijke epidemie kon doen stoppen – een kennis die Mosjé naderhand nog goed van pas kwam.

Nu vroeg HaKadosj Baroech Hoe aan Mosjé: „Zeg het volgende tegen het huis van Ja’akov en vertel aan de Israëlieten: ‘Jullie hebt zelf gezien wat Ik de Egyptenaren heb aangedaan, hoe Ik hen met tien plagen heb geslagen en hoe Ik hen uit dat land heb gehaald met sterke hand en met uitgestrekte arm, 6en hoe Ik hen heb gedragen zoals een adelaar zijn jongen op zijn rug draagt. Want een adelaar is niet bang voor andere vogels die zijn jongen zouden opeten, maar hij is bezorgd dat de jager de kuikens met zijn pijlen zal treffen. En hij denkt bij zichzelf: ‘Als de jager op mij wil jagen, dan is het beter dan zijn pijlen mij treffen en niet mijn jongen.’ Daarom draagt de adelaar zijn kuikens op zijn rug. Zo heb Ik ook gedaan, Mosjé, Ik heb de rookwolk vooruit gestuurd zodat die de pijllen en de stenen zou opvangen die de Egyptenaren op de Israëlieten zouden afschieten. 7En Ik weet ook, dat wanneer Ik mijn kinderen gebied zich aan Tora en mitswot te houden, dat heel moeilijk voor hen zal zijn in het begin. Maar de moeite die zij erin zullen steken om zich aan Tora te houden zal beloond worden want dan zal het volk van Israël Mij het meest dierbaar zijn, uitverkoren boven alle andere volken van de wereld.”

Nadat Hasjem was uitgesproken, liet Hij Mosjé weer neer, boven op de berg en vandaar ging Mosjé naar het legerkamp van Israël en verzamelde de Oudsten van het volk, 8zodat zij zouden kunnen beslissen of zij echt de Tora wel wilden accepteren.

Toen de Israëlieten zagen dat de Oudsten naar de woorden van Mosjé gingen luisteren, voegden zij zich bij hen. Zo, ten aanhoren van heel het volk, vertelde Mosjé aan de Oudsten wat Hasjem tegen hem gezegd had en hij vroeg hen of zij echt de Tora wilden accepteren. Onmiddellijk antwoordde heel het volk: „Alles wat Hasjem zegt zullen wij doen.” Toen Mosjé deze laatste woorden gehoord had, 9ging hij dat aan HaKadosj Baroech Hoe vertellen. Dat was op de derde dag dat Israël in de woestijn gelegerd was.

Hasjem hoorde het antwoord van Israël en zei tegen Mosjé: „Ik zal in een dichte wolk aan jou verschijnen, Mosjé, terwijl Aharon en de zeventig Oudsten op een afstand zullen staan en zullen toezien hoe jij de berg opklimt, wanneer Ik dat zeg, en dan zal Ik met jou praten en dan zal het volk altijd in jou geloven en ook in de profeten die na jou zullen komen. En nu, zeg hun alles wat Ik jou gezegd heb.”

De volgende dag, de vierde dag, zei Mosjé tegen Hasjem: „Heer der wereld, de Israëlieten willen niets liever dan het aangezicht van de Sjechiena aan­schouwen en uit Uw mond, Hasjem, de tien geboden horen.”

Daar ging Hasjem mee akkoord en Hij zei tegen Mosjé: „Ga na het volk en zeg hen, dat als zij de Tora willen accepteren en die uit Mijn mond willen horen, dan moeten zij zich heiligen en zich gedurende de twee dagen ervoor rein houden en heel goed hun kleren wassen. Want daarna zal ik Mij vertonen aan Israël en hen de Tien Geboden geven. En jij, Mosjé moet het volk grenzen stellen 10op een afstand van tweeduizend ama – dat is ongeveer 1.000 meter – van de voet van de berg, zodat niemand dichterbij zal komen en de berg zal aanraken, want wie de berg zal bestijgen of zelfs maar de voet ervan zal aanraken, die zal zeker gedood worden.”

Hasjem gaf Mosjé nog een instructie en zei: 11„Zodra Ik op de Sjofar – de bazuin – een hele lange stoot blaas, de laatste van een reeks tonen die Ik zal blazen, vroeg in de ochtend, dan zal dat het teken zijn dat jij en Aharon naar boven mogen komen maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen.” Mosjé daalde opnieuw van de berg af, vanwaar Hasjem met hem gesproken had vanuit de wolk. 12En inplaats van naar zijn tent en familie te gaan verzamelde hij het volk en deelde hen de woorden van HaKadosj Baroech Hoe mee. Onmiddellijk begon iedereen zich voor te bereiden op de grote gebeurtenis van de ontvangst van Tora.

13Intussen begon Mosjé alvast alles wat er tot nu toe in de wereld gebeurd was, vanaf de schepping van de wereld tot de dag van de ontvangst van Tora, op te schrijven in een boek en dat boek noemde hij Het Boek van het Verbond.

Terwijl Israël zich voorbereidde op de ontvangst van Tora, wilde HaKadosj Baroech Hoe een berg uitkiezen, waarop die gebeurtenis zou plaatsvinden. 14Alle bergen begonnen onderling ruzie te maken op wie Hasjem zou staan als Hij de Tora aan Israël zou geven. De Carmelberg en de berg Tabor rukten zich zelfs los van hun plaatsen en kwamen helemaal van het noorden van Israël naar de Sinaiwoestijn omdat zij ervan overtuigd waren dat Hasjem speciaal op hen zou staan als Hij de Tora zou geven. Die twee bergen begonnen op te scheppen en zeiden: „Wij zijn hoger en voornamer, op ons zullen de mitswot en de wetsvoorschriften gegeven worden. Wij zijn ook mooier dan iedere andere berg, op ons bloeien de mooiste bloemen, daarom zal Hasjem ons uitkiezen boven alle andere bergen.”

HaKadosj Baroech Hoe hoorde de opschepperige woorden van de bergen en zei: „Ik ben niet van plan om Mijn Tora op een hoge, trotse berg te geven, maar op een lage, nederige berg: de berg Sinai.”

De Tien Geboden

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

1.   Mechilta.

2.   Mechilta 88.

2*  Jalkoet Zwi

3.   Rasji 19:3.

4.   Sjabbat 88b.

5.   Sjabbat 89a.

6.   Rasji 19:4.

7.   Mechilta 82.

8.   Ramban 19:8.

9.   Rasji 19:8,9.

10. Rabbeinoe Bachia 19:13 en Mechilta 83.

11. ’Ewen ’Ezra 19:13.

12. Rasji 19:14.

13. Rasji 24:3,4.

14. Bereisjiet Rabbah 99:1,6, Midrasj Tehilliem 68:9.