Archief

Bo

DE UITTOCHT UIT EGYPTE

Toen de Israëlieten Par’o zo zagen rondrennen in de straten van Egypte en hem hoorden roepen dat zij nu vrije mensen waren, beëindigde zij snel de voor­bereidingen voor het vertrek uit Egypte. Zij herin­nerden zich nu ook de woorden van Mosjé, dat zij, voordat zij uit Egypte vertrokken naar de Egyptenaren moesten gaan en hen om al de kostbaarheden moesten vragen, die zij gezien hadden tijdens de plaag van de duisternis. Onmiddellijk ging iedereen nu naar de Egyp­tische huizen toe. Laten wij eens een joods vrouw­tje volgen en over haar schouder kijken als zij net bij een egyptisch huis aanbelt. Als de deur wordt opengedaan door de vrouw des huizes, begint ze: „Neem mij niet kwalijk, mevrouw, dat ik u zo laat nog lastig val, maar ik heb een klein verzoek voor u, misschien wilt u mij helpen?”

„Met alle genoegen”, antwoordt de Egyptische, „wat kan ik voor u doen?”

Ik zou graag drie gouden kandelaars van u willen hebben om mijn huis beter te verlichten, en vijf zil­veren kandelaars en ook nog wat koppen en schotels, eh … een stuk of vijftig alstublieft. En gouden messen en vorken en lepels, ingezet met edelstenen en nog wat andere sieraden. O  ja, en ook nog een zak vol met gouden munten om wat inkopen te kunnen doen. En natuurlijk ook nog wat mooie kleren zodat ik mijn familie behoorlijk kan aankleden.”

[i]Onmiddellijk ging de Egyptische het gevraagde halen en gaf het opgewekt aan de Jodin mee. En die ging aangemoedigd door haar succes naar het volgende huis met hetzelfde verzoek. Maar daar ging het niet zo makkelijk.

„Ik zou u met plezier willen helpen,” reageerde daar de vrouw des huizes, „maar helaas bezit ik al dat moois niet.”

[ii]Maar de joodse vrouw herinnerde zich heel goed wat zij gezien had tijdens de plaag van de duisternis en antwoordde: „Dan zal ik u laten zien waar u dat verstopt heeft.” De joodse vrouw ging met de Egyptische het huis binnen en toonde haar al de schatten die zij bezat. De Egyptische had nu geen andere keuze, dan alles af te geven.

Zo deden alle Israëlieten de ronde langs de egyptische huizen, [iii]alleen Mosjé Rabbeinoe zocht wat anders, hij zocht de kist van Joseef de Tsaddiek, die zijn broers had laten zweren dat zij zijn kist zouden meenemen al zij Egypte zouden verlaten. Mosjé zocht en zocht, maar zonder resultaat. Maar plotseling ontmoette hij Sèrach, de dochter van Asjèr, de kleindochter van Ja’akov Avienoe. „Hoe gaat het met jou, Mosjé?” vroeg zij, „je ziet er vermoeid uit.”

„Ik zoek de kist van Joseef,” antwoordde Mosjé. „Is dat alles? Kom maar met mij mee, dan zal ik je laten zien waar die is,” antwoordde Sèrach. Samen gingen zij nu naar de oever van de rivier de Nijl en daar zei Sèrach tegen Mosjé: „De Egyptenaren wisten dat Joseef zijn broers had laten zweren dat zij zijn beenderen mee zouden nemen wanneer zij Egypte zouden verlaten. En omdat zij wel wisten dat Israël nooit uit Egypte zou vertrekken zonder de kist van Joseef, maakten zij een hele zware kist, daarin legden zij de beenderen van Joseef en lieten vervolgens die kist in de rivier zakken, zodat Israël die kist niet zou kunnen meenemen en dus ook Egypte niet zou kunnen verlaten.”

Nu nam Mosjé een potscherf en schreef daar de Naam van Hasjem op en gooide die vervolgens in het water. Onmiddellijk steeg de kist naar het oppervlak van de rivier. Mosjé nam de kist mee naar het legerkamp van Israël, die nu allen gereed waren voor hun vertrek.

Bij het eerste ochtendlicht stond iedereen klaar: Mosjé met de kist van Joseef, de overige Israëlieten ieder met de buit die zij van de Egyptenaren gekregen hadden. Zo ging iedereen op weg, in de richting van de uitgang van Egypte. [iv]En Par’o was zo opgelucht dat zij nu eindelijk vertrokken, dat hij hen zelfs een stukje uitgeleide deed. En ook de dienaren en het volk begeleidden de Israëlieten bij hun uittocht. Zes­hon­derdduizend mannen boven de twintig jaar alleen al, trokken uit Egypte, plus nog de stam Levie en dan nog al de vrouwen en kinderen en jongeren tot twintig jaar, die niet in die zeshonderdduizend waren inbe­grepen. Zij allen trokken uit Egypte.

Maar niet alleen de Joden trokken weg uit Egypte, maar met Mosjé trok ook een bonte stoet van andere volkeren mee, [v]die zich bij de Joden hadden aangesloten.

Al die mensen hadden eten nodig voor onderweg in de woestijn. Maar de Israëlieten waren tot het laatste moment zo druk bezig geweest met hun werk in Egypte voor de Egyptenaren, dat zij geen tijd genoeg hadden gehad om behoorlijk brood te bakken voor onderweg. Ze hadden alleen maar het deeg kunnen bereiden en nu dat Israël reeds Egypte uitwas, [vi]nam ieder zijn deeg, dat nog geen tijd had gehad om te rijzen en legde dat op zijn hoofd, totdat de zon het daar zou bakken. Zo bakken wij vandaag de dag nog steeds de matsot in de oven. En die matsot aten de Joden daar in de woestijn.

[vii]Rest ons nog te vertellen dat op de dag dat de Israëlieten uit Egypte trokken, de 15de Nisan, precies vierhonderd jaar ballingschap waren verlopen, die waren begonnen met de geboorte van Jitschak (die dus ook op 15 Nisan werd geboren). En op de avond voorafgaande aan de uittocht van Egypte, dus de vooravond van de 15de Nisan was een avond van bescherming - Leil Sjemoeriem - , waarop HaKadosj Baroech Hoe wachtte totdat Hij het joodse volk zou verlossen uit Egypte en waarop Israël beschermd werd tegen de verderfengelen die Hasjem gestuurd had om de Egyptenaren te doden.

Zo trok Israël op uit Egypte, met sterke hand en met opgeheven arm.

Ter herinnering aan de wonderen die voor hen in die dagen gedaan werden in Egypte en in de woestijn vieren wij nog ieder jaar het Pèsachfeest.

Conclusie: Uit de geschiedenis van de uittocht uit Egypte leren wij dat wij altijd moeten doen wat ons is opgedragen door Hasjem, die ons uit dat slechte land heeft weggevoerd. Het is onze taak Hem met heel ons hart te dienen.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Mechilta 

[ii]. Rasji 10:22

[iii]. Tanchoema Besjalach 20 en Dewariem Rabbah 11

[iv]. Mechilta, begin Besjalach en Zohar.

[v]. Rasji 12:38

[vi]. Targoem Jonatan 12:39

[vii]. Rasji 12:40-42