Archief

HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA

door Reuben Ebrahimoff

De Haftara voor Parasjat Matot-Masei

Jirmijahoe (Jeremia) 2:4-28; 3:4; 4:1-2

Samenvatting (2:4-13) Jeremia begint de haftara van deze week met Israel te vertellen dat zij Hasjem hebben verlaten. De profeet vraagt in naam van Hasjem: „Wat voor slechts hebben jullie voorouders in Mij gezien, dat zij Mij verlaten hebben?”  Het Joodse volk zei niet: „Waar is Hasjem, die ons uit Egypte heeft gevoerd en ons veilig door de woestijn heeft geleid, naar een  vruchtbaar land dat al het voedsel en al de welvaart produceerde dat wij nodig hadden?” De Kohaniem zeiden niet: „Waar is jullie G-d?” De Profeten profeteerden via de Ba'al (een Kenaïtische afgod) valse informatie. Hasjem vraagt: „Wat gebeurt er hier? Heeft dan iedereen onze overeenkomst vergeten?” Hasjem vervolgt dan en zegt: „Kijk eens om je heen, heeft ooit een volk een levende G-d voor een valse G-d ingewisseld?” Jeremia waarschuwt de Israëlieten dat zij twee grote zonden tegen Hasjem begaan hebben. Ten eerste hebben zij Hem verlaten en ten tweede aanbidden zij afgoden. Jeremia waarschuwt de Joden dat zij zwaar gestraft zullen worden. (2:14-19) Hij zegt dat het hun eigen fout is dat zij gestraft worden. In plaats van dat jullie op Hasjem vertrouwden, vertrouwen jullie op de Egyptenaren en Syriërs voor hulp. Jullie zult nog verbaasd staan, wanneer die niet komen om jullie te helpen als je hen nodig hebt. Jullie zullen worden gestraft voor jullie zondige ontrouw. (2:19-28) Israël, jullie hebben mij verteld dat jullie trouw zouden zijn, maar dat zijn jullie niet. Jullie aanbidden de afgod Molech in de Hinnom-vallei, aan wie jullie kinderen offeren. Hasjem zegt: „Houdt op met om jullie heen te zoeken naar bondgenoten om jullie te redden.” Jeremia waarschuwt het huis van Israël, hun koningen, hun prinsen, priesters en profeten, dat zij beschaamd zullen zijn als een dief die gepakt wordt. Ze praten tegen de houten afgodsbeelden alsof die hen kunnen horen,  en ze praten tegen stenen alsof die hen geboren hebben doen worden, maar Mij keren ze de nek toe. Maar in hun uur van nood komen zij bij Mij en zeggen: „Redt ons.” (3:1-4) Waar is dan de afgod die je voor jezelf gemaakt hebt? Laat hem dan nu komen en je redden in tijd van nood! Als altijd eindigt de Haftara met een paar gelukkige woorden. (4:1) Hasjem antwoordt: „Wanneer jullie, Israël, tot Mij terugkeert, en jullie afschuwelijke gewoonten verlaten, en niet wankelt, wanneer jullie zweren: „Zo waar  Hasjem leeft,” in waarheid, recht en gerechtigheid, dan zullen de volkeren zich met Hem zegenen en zich op Hem beroemen.

Het verband met de parasja van de week

Deze Haftara is de tweede van de drie Haftarot voor Tisja Be’Av – de negende Av, de drie kwellingen. We lezen deze Haftara omdat het vertelt over de rampen de Jeremia voorspelt, welke het Joodse volk zullen treffen, met name de verwoesting van Jeruzalem en de Heilige Tempel ten gevolge van de zonden van Israël.

Periode: 2650 jaar geleden.

 

ô ô ô