Archief

HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA

door: Reuven Gavriel ben Nissim Ebrahimoff

Haftara Parasjat Toledot: Malachi, 1:2-2-7

De profeet Malachi verwijt het Joodse volk gebrek aan respect voor het Beit Hamikdash.

Deze week begint de Haftara met de Profeet Malachi die ons eraan herinnert dat Hasjem Ja'akov liefheeft maar zijn broer Esav en diens nakomelingen haat. De Kohaniem (priesters) versmaden de Tempeldienst, en hun wordt hun onacceptabele gedrag verweten. Jood te zijn moet als een eer beschouwd worden, die iemand in de gelegenheid stelt mitswot te doen, en niet als een last.  De Kohaniem hebben zelfs minder eerbied voor Hasjem dan de niet-Joodse volken. Hasjem bekritiseert de Bnei Jisraël dat zij onacceptabele dieren naar het Beit Hamikdasj brengen.  De Kohaniem worden straffen in het vooruitzicht gesteld als zij zich niet beteren. De eigenschappen van Aharon worden als voorbeeld gesteld: aan die eisen zal een goede Kohen moeten voldoen.

Het verband van de Haftara met de Parasja:

In de Haftara lezen we een zin die zegt: Een zoon eert zijn vader, maar waar is Mijn eer? Hasjem verwachtte dat het volk Edom (nakomelingen van Esav, Ja'akovs broer) oneerbiedig zou zijn. De Profeet Malachi zegt dat Hasjem dat nooit verwacht had van het Joodse volk. In de parasja van deze week lezen wij in Tora hoe Esav zich aan zijn vader voordoet als een fatsoenlijk mens, terwijl hij in werkelijheid slecht was. Hasjem ziet daar dwars doorheen. Maar ondanks dat Esav zulk een slecht mens was, had hij toch een enorme mitswa op zijn naam staan die hem als verdienste werd aangerekend: de eerbied die hij voor zijn vader had.

Moraal van het verhaal

We moeten onthouden dat wij dingen niet gratis krijgen. Hasjem is degene die ons zegent maar wij moeten ons wel realiseren dat, ondanks dat wij een bevoorrechte relatie met Hem hebben, wij de dingen niet zomaar van hem cadeau krijgen. Wij moeten ze verdienen. Wanneer Hasjem ons vraagt om iets te doen, doen wij dat dan op onze manier of doen wij het op de manier die Hij ons vraagt? Bnei Jisraël moet daar een voorbeeld aan nemen om op een behoorlijke manier eerbied te tonen voor hun Vader in de Hemel.

Periode

Ongeveer in het jaar 3390 volgens de Joodse jaartelling, ongeveer 2370 jaar geleden.