Archief

HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA

De Haftara voor Parasjat Nitsaviem (Jesjajahoe 61:10 – 63:9)

Door: Jacob Salomon

Jesjajahoe zegt over de toekomst van Jeroesjalajiem:

„Zoals een jonge man, die trouwt met een jong meisje, zo zullen je zonen zich met jou verbonden voelen. Je G-d zal zich over jou verblijden zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid.” (Jes. 62:5)

Deze haftara vervolgt met hetzelfde thema als de haftara van de vorige parasja, even krachtig en doordringend van taal. De tekst gaat verder met de Messiaanse climax tot uitdrukking te brengen, hetgeen het hoofdthema is van het hele Boek Jesjajahoe. Jesjajahoe was een profeet: iemand die persoonlijk het woord van G-d ontvangt, en dat overbrengt aan het volk. Jesjajahoe leefde omstreeks het jaar 720 voor de Gewone jaartelling. Dat was in een tijd dat beide koninkrijken, die van Israël en van Jehoeda een zowel spirituele als morele neergang doormaakten. Het gevolg was dat zijn eerdere profetieën – boodschappen, die hij direct van G-d ontving – de ballingschappen zag van zowel het noordelijke Koninkrijk Israël (dat plaats vond tijdens zijn leven) als uiteindelijk van het zuidelijke Koninkrijk Jehoeda.

De scenes uit het midden van het Boek Jesjajahoe spelen zich ongeveer 150 jaar later af en hebben betrekking op de Babylonische ballingschap. De tekst noemt Cyrus II, de Keizer van de Meden en de Perzen met name. G-d verklaart dat hij Zijn herder en Zijn gezalfde is (44:28 en 45:1). Mede als gevolg van zijn uitspraken keren sommige Joden terug, fysiek en spiritueel, om het zwaar verwoeste Heilige Land weer op te bouwen. De laatste elf hoofdstukken van het boek bevatten de tekst van deze en de vorige haftara en gaan over de uiteindelijke verlossing en het einde van de ballingschap: „En zij zullen al je broers brengen vanuit de volken om op Mijn heilige berg Jeroesjalajiem te offeren, zegt Hasjem” (66:20).

Het Boek Jesjajahoe bevat diep inspirerende woorden van aanmoediging, die van toepassing zijn op zowel de Israëlieten als op de rest van de wereld. Er wordt voortdurend, zoals in deze haftara te zien is, benadrukt dat de ballingschap van de Joden en de G-ddelijke straffen die zij ondergaan slechts tijdelijk zijn en dat G-d uiteindelijk Zijn volk zal verlossen en hen permanent in Zijn land zal vestigen, met eer, voorspoed en wereldwijde invloed.

In de tekst wendt de profeet zich tot Jeroesjalajiem en spreekt tegen haar met diep inspirerende woorden. Want haar jaren van ballingschap lopen ten einde en de extatische  tijd van de uiteindelijke verlossing staat voor de deur. Tsion zal gekleed gaan in ‘kleren van de redding’ en ‘als een bruid die zichzelf tooit met haar sieraden’ (61:10). En inderdaad, een bezoek aan Jeroesjalajiem vandaag toont hoe mooi haar bouwers haar hebben ‘opgemaakt.’ De stad straalt werkelijk de bezoeker tegemoet – vanuit het interieur van van haar sprankelende ultramoderne busstation, dat in grote gouden letters uitroept: „Moge er vrede zijn binnen je muren en veiligheid in je paleizen” (Psalmen 122:7), tot het liefelijke en smaakvol herbouwde Joodse Kwartier van de Oude Stad, dat de schatten en opgravingen van beide Tempelperioden harmonisch samenbrengt met het traditionele Joodse leven in de moderne tijd. Met deze zaden, geplant door de mens, zal G-d de uiteindelijke verlossing brengen „zoals een tuin zijn zaden doet groeien” (62:10). Zij moeten het mogelijk maken voor de ballingen om terug te keren naar het Land Israël, zonder buitensporige moeilijkheden . (Daät Hamikra)

De woorden van G-d vervolgen via de Profeet (Rasji, Radak): „Ter wille van Tsion kan ik niet zwijgen en ter wille van Jeroesjalajiem wil ik niet stil blijven, totdat haar rechtvaardigheid stralend tot uiting komt en haar bevrijding laait als een fakkel” (62:1). G-d zal niet rusten totdat Jeroesjalajiem fysiek en spiritueel hersteld is tot zijn ware rol van de Schepping – een stad van vrede, met de G-ddelijke aanwezigheid daar blijvend gevestigd. De Targoem Jonatan gaat verder – hij vertaalt dit vers als een waarschuwing dat zolang als het Joodse volk verstrooid is over de wereld, „G-d Zelf niet stil zal zijn” – d.w.z. dat er geen vrede  en rust in de wereld zal zijn… En G-d zal Edom – het symbool van Israëls onderdrukkers – met geweld ten val brengen, op een tijdstip waarop Hij zal kijken en „niemand zal vinden die helpt” (63:5). In moderne woorden: dat kan heelgoed zijn met inbegrip van de internationale gemeenschap die Israël op basis van haar ‘realpolitieke over­wegingen’ in de steek laat – omdat zij denken een groter politiek en financieel gewin te kunnen uitslaan door de andere kant te steunen.… Hij zal dit doen omdat „Hijzelf gepijnigd werd door hun lijden” (63:9) – de Joden mogen dan hebben gezondigd, maar zij hebben niet valselijk gehandeld” (63:8). Dit kan heel goed betekenen dat zij accepteerden dat zij Zijn volk zijn, zelfs al zijn zij afgeweken van Zijn idealen. Zij bleven Zijn kinderen – zelfs in de donkerste tijden. G-d lijdt met Israël, zoals een vader de pijn van zijn kinderen voelt.… (Malbiem).

Zoals hierboven reeds gezegd, brengt de haftara een krachtige boodschap als het beschrijft hoe de wereld van Israël uiteindelijk zal herbouwd worden. De openingsverzen van de Haftara beschrijven Tsion en Jeroesjalajiem als een bruid, die haar bruidegom gevonden heeft. „Als een jonge man die een jong meisje huwt, zo zullen je zonen zich met jouw verbonden voelen. Je G-d zal zich over je verblijden, zoals een bruidegom zich verblijdt over zijn bruid” (62:5).

De herbouw van Israël, getooid in het beeld van een bruidegom en bruid die voor de eerste keer trouwen, heeft speciale betekenis. Men zou verwachten dat de profetie zich in andere woorden uitdrukt. De verhouding tussen de Joden (de bruidegom) en het Heilige Land en de Stad (de bruid) bestaat al heel lang en was vaak uiterst pijnlijk. Maar de Hebreeuwse woorden die hier gebruikt worden – bachoer en betoela – suggereren jeugd en maagdelijkheid … iets dat onze martelende en pijnlijke geschiedenis van duizende jaren schijnt tegen te spreken.

De klaarblijkelijke tegenstelling brengt het wonder van de verlossing naar voren, want wij leven zelf voor een groot gedeelte in het verleden – ook al raakt het triest genoeg het heden. Veel van het hedendaagse Joodse denken is verbonden met de Holocaust, en niet alleen in de gedachten van diegenen die eronder geleden hebben, maar ook in dat van hen die erna geboren zijn en die zichzelf zowel spiritueel als psychologisch beïnvloed voelen door de onuitspreekbare en onvoorstelbare wreedheden. Joden van alle leeftijden zijn psychologische slachtoffers van de pogroms, Hitler, en meer recent, de trauma’s van de Joodse staat ten gevolge van de terroristische zelfmoord bomaanslagen door de Palestijnen.

Dat is de schoonheid van de profetie. Wanneer de uiteindelijke verlossing komt, zal het verleden niet vergeten worden, maar het zal niet toegestaan worden om de geest van het volk te deprimeren. Zij zullen in staat zijn zich erin te verheugen dat zij G-ds volk zijn op de hoogst mogelijke manier, zonder zich te wentelen in de catastrofes van de Joodse geschiedenis. Zij zullen ophouden te leven in het verleden en deel worden van een glorieus heden. Zij zullen de Holocaust- en vervolgings-mentaliteit verliezen. Gebeurtenissen zullen niet op de  voorpagina staan van de groezelige, uitgewiste kranten van gisteren, maar op de stralende nieuwe krant van vandaag… Als een onschuldige jonge bruidegom die trouwt met een onschuldige jonge bruid…

ô ô ô