Archief

HOOGTEPUNTEN VAN DE HAFTARA

Sjabbat Rosj Chodesj, Jesjajahoe 66:1-24

De Haftara opent met de bittere klacht van Hasjem dat Hij geen behoefte meer heeft aan hun Beit Hamikdasj. Zijn troon was in de Hemel en Zijn voetenbankje was de aarde. Dat was allemaal in orde zolang als Israël voor Hem verscheen in nederigheid en met een gebroken geest, maar nu dat zij de eigenaar slaan om zijn os te stelen die zij als offer willen brengen, had het sjechten van een schaap voor een korban niet méér betekenis dan het breken van de nek van een hond; hun meeloffers waren als het bloed van een varken en hun reukwerk werd vergeleken met een gestolen gift.

Zij hadden doelbewust gekozen voor dit slechte pad; zij hadden verkozen deze dingen te doen, die G-d als iets afschuwelijks beschreven had. G-d op Zijn beurt, zich houdend aan het principe dat „men zijn gezicht in het water ziet weerspiegeld” [Misjlei 27-19] – het soort gezicht dat men aan het water toont, dat is het gezicht dat G-d terugspiegelt – heeft ervoor gekozen hen te bespotten en al hun angsten te laten waarworden – want zij hebben geweigerd om te reageren op Zijn oproep tot tesjoewa.

Hasjem verzekert de Charediem – die staan te trillen bij het horen van Zijn woord – dat er een tijd komt dat zij zich zullen verheugen. Tegen die tijd zullen alle Joden die hen haten en die hen beschimpen, denken dat door de soort offers die hierboven beschreven werden, zij vergeleken kunnen worden met de charediem en hun gelijken zullen zijn. Maar zij vergissen zich. Hasjem appriciëert alleen ware avoda, niet dat wat als een show wordt opgezet in een poging om Hem te vlijen. Bij gevolg zullen die Joden beschaamd gemaakt worden en de Charediem zullen zich alleen verheugen (Malbiem).

Na een korte vermelding van G-ds wraak op Gog en Magog, bespreekt de Navi de buitengewone vreugde die zal volgen op de snelle terugkeer van de ballingen naar Jeruzalem. Het zijn zij die gerouwd hebben over Jeruzalem toen het er verlaten bij lag, die zich dan met haar zullen verheugen.

Jesjajahoe bespreekt dan het buitengewone plezier dat Israël zal ervaren in die tijd en de grote eer die de volken van de wereld hen zullen bewijzen en hij gaat verder met te beschrijven hoe G-d ten slotte de slechte volken naar Jeruzalem zal verzamelen om zich aan te sluiten bij het kamp van Gog en Magog. Daar zullen zij getuigenis afleggen van Zijn glorie voordat Hij hen dood met afschuwelijke plagen. Sommigen zullen mogen ontsnappen om naar verre landen te reizen, om het de volken te vertellen, die Hasjems glorie niet aanschouwd hebben. Maar zij zullen gekweld worden, opdat zij de mensen uit de eerste hand kunnen tonen hoe diegenen die Jeroesjalajiem hebben aangevallen, geleden hebben.

En wanneer de volken van de wereld zullen horen hoe G-d het kamp van Gog en Magog vernietigd heeft, zullen zij Hem een geschenk brengen naar Jeroesjalajiem in de vorm van de Joden die nog steeds in hun land waren achter gebleven. Zij zullen hen triomfantelijk op paard en wagen thuisbrengen, begeleid door zang en dans, terug naar Hasjems heilige stad, Jeroesjalajiem.

Onder die Joden die van verre komen, zullen ook enige Kohaniem en Leviïem zijn. Hasjem zal ook hen herstellen in de Avoda, om in hun rechtmatige functie te dienen, zelfs al waren zij afgeweken van het rechte pad (Redak).

De Navi Jesjajahoe besluit zowel zijn profetie als zijn boek met  de informatie dat in die tijd maand voor maand en week voor week de hele mensheid zal komen en zal buigen voor Hasjem. En wanneer zij aankomen in Jeruzalem zullen zij afdalen naar de vallei van Gei ben Hinom, om daar de lichamen van Gog en Magog en hun horden te zien, om uit de eerste hand G-ds rechtspraak waar te nemen over diegenen die tegen Hem en Zijn volk gerebelleerd hebben. En zij zullen het vuur zien dat voortdurend hun lichamen zal verteren en de wormen die niet aangetast worden door het vuur en die hun vlees eten (Redak – een van de verklaringen).

Dit echter kan alleen gelden voor de eerste zeven maanden, gedurende welke periode Israël diegenen, die in de strijd tegen Gog en Magog gedood werden, begraven zal (zie Jechezkel 39:12) – daarna zal er geen lichaam meer te zien zijn.