index

Overzicht Parasjat Korach (Bamidbar 16:1 – 18:32)

Korach, Datan en Aviram, en 250 van de leiders van Israël rebelleren tegen de authoriteit van Mosjé en Aharon. De rebellie heeft als resultaat dat zij door de aarde worden verzwolgen. Velen van het volk zijn kwaad over de dood van Korach en diens volgelingen, en zij houden daar Mosjé voor ver­ant­woordelijk. De „boosheid” van Hasjem is manifest in een plaag die het volk treft, en vele duizenden komen daarbij om. Mosjé bemiddelt nogmaals voor het volk, en geeft Aharon instructies om verzoening te doen voor hen, waarna de plaag stopt. Hasjem gebiedt dan dat van iedere stam een staf met de naam van de stam erin gegraveerd, in het Misjkan wordt geplaatst. De volgende ochtend zijn uit de staf van de stam Levi, waarop de naam van Aharon staat, knoppen en bloemen en rijpe amandelen voortgesproten. Dit voorziet in de G-ddelijke bevestiging dat de stam Levi is uitverkoren voor het pries­ter­schap, en bevestigt ook Aharons positie als de Kohen Ĝadol, de Hoge Priester. De specifieke plich­ten van de Levieten en de kohaniem worden beschreven. De kohaniem zouden geen landeigenaars worden, maar gingen hun levensonderhoud krijgen uit de tienden en andere voorgeschreven giften die hen door het volk gebracht worden. Ook worden de wetten voor de eerste vruchten gegeven, voor de lossing van de eerstgeborene en andere offers.

Door Ohr Somayach in Jeruzalem, Israël

©1998 Ohr Somayach International - Alle rechten voorbehouden