Choellien-index


DAF-Notities Choelien 102a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Bloed-link

Het is verboden om het vlees van een dier te eten, zolang het nog leeft. Dit wordt verboden in Tora met het vers in Dewariem (12:23): „Maar wees sterk om het bloed niet te eten, want het bloed is de ziel en je zult de ziel [= het leven] niet samen met het vlees eten," waarmee het leven verbonden wordt aan het bloed.

De geleerden verschillen van mening over de vraag voor welke dieren dit verbod op het eten van vlees van een levend dier geldt. Rabbi Elazar breidde het verbod uit tot alle huisdieren, wilde dieren en gevogelte, zowel de reine dieren die geschikt zijn voor consumptie na sjechita als die welke onrein zijn en verboden zijn voor consumptie. Hij begrijpt uit het Tora vers, dat aangzien Tora het verbod verbindt aan het verbod op bloed, het geldt voor alle dieren, waarvan het bloed verboden is voor consumptie.

Maar de andere geleerden beperken het verbod op het eten van het vlees van een levend dier tot die dieren, waarvan het vlees na sjechita geoorloofd is, want volgens hen betekent de zin: „je zult de ziel [= het leven] niet samen met het vlees eten," dat men het vlees niet mag eten als het dier nog leeft, maar wel als het dier op de juiste wijze geslacht is, en dat geldt alleen voor de reine dieren en dus worden hiermee de onreine dieren van dit verbod uitgesloten.

Wanneer iemand het vlees van een onrein dier eet voordat het sjechita heeft ondergaan, dan is hij schuldig aan de overtreding van slechts één Tora-verbod volgens deze Geleerden, en twee volgens Rabbi Elazar. Rabbi Meïr is zelfs nog soepeler en beperkt het verbod op het eten van vlees van een levend dier alleen tot kosjere huisdieren (rundvee, schapen en geiten). Zijn standpunt is gebaseerd op het feit dat het vers dat deze wet introduceert [ib. 12:21], spreekt over het slachten „van je rund-en kleinvee."

Deze discussie over voor welke dieren dit verbod op het eten van vlees van een levend dier geldt, is alleen van toepassing op Joden, voor wie er een duidelijk onderscheid bestaat tussen kosjere en niet-kosjere dieren. Maar voor de niet-Joden, die verplicht zijn zich te houden aan de zeven Noachidische wetten, geldt dit verbod op het eten van het vlees van ieder levend dier.