Choellien-index


DAF-Notities Choelien 107b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Wat is beter?

Moet iemand zijn handen wassen voordat hij brood eet, zelfs als hij zijn brood niet aanraakt of als iemand anders hem voert?

Voordat de Talmoed tot de conclusie komt dat men ook onder die omstandigheden zijn handen moet wassen, probeert de Gemara eerst het tegendeel te bewijzen uit een bepaald voorval.

Rabbi Hoena bar Sechora stopte wat brood in de mond van Rabbi Hamnoena. „Als u niet Rabbi Hamnoena [een man van grote wijsheid (Rasji)] was,” zei hij, „dan zou ik u niet gevoerd hebben.”

Aanvankelijk veronderstelt de Talmoed dat Rabbi Hamnoena zijn handen niet gewassen had voor het eten en dat Rabbi Hoena hem niettemin brood had gevoerd omdat hij wist dat Rabbi Hamnoena uiterst nauwgezet was in de naleving van mitswot en dat men erop kon vertrouwen dat hij zijn brood niet zou aanraken met zijn handen voordat het in zijn mond gestopt werd. Dit zou leiden tot de conclusie dat als men er zorgvuldig voor zorgt zijn brood niet met zijn handen aan te raken, voordat men het in zijn mond stopt, men zijn handen niet voor het eten hoeft te wassen.

Maar deze veronderstelling wordt verworpen en er wordt een alternatief scenario gesuggereerd. Rabbi Hoena zou Rabbi Hamnoena nooit gevoerd hebben als hij er niet zeker van zou zijn geweest dat Rabbi Hamnoena zijn handen gewassen had. Daar hij echter wist dat Rabbi Hamnoena meer dan zorgvuldig was en zelfs er geestdriftig naar streefde de mitswot naar behoren na te leven, voelde hij dat hij veilig kon aaannemen dat Rabbi Hamnoena zijn handen gewassen had voordat zij elkaar ontmoetten.

Rasji zegt in zijn commentaar dat de ijver waarmee men voorzorgsmaatregelen neemt om te voorkomen dat men in moeilijke situaties verzeild raakt,  een grotere verdienste is dan de zorgvuldigheid die men demonstreert wanneer men eenmaal in een dergelijke situatie is terecht gekomen. Dat is de reden waarom Rabbi Pinchas ben Meïr in zijn ladder van verdiensten, dat dient als schets voor de Ramchals klassieke Mesilat Jesjariem, zegt dat „zorgvuldigheid iemand tot geestdrif brengt" (Avoda Zara 80b).