Choellien-index


DAF-Notities Nr.186

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 11a

Het waarschijnlijkheidsprincipe

„Je zult deze twee geiten nemen.” (Wajjikra 16:7)

Dit vers introduceert de twee geiten die zo’n belangrijke rol speelden bij de Jom Kippoerdienst in het Beit Hamikdasj. Eén van hen diende als zondoffer en de andere werd, symbolisch de zonden van heel het volk met zich meedragend, als zondebok de woestijn in gestuurd, waar hij van een rots afgegooid werd, zijn dood tegemoet.

Betreffende deze zondebok heeft Rabbi Acha bar Ja’akov een interessante vraag. De Tora geeft de Kohen Gadol de opdracht om door middel van loten vast te stellen welke van deze twee identieke geiten in de Tempel geofferd zal worden en welke als zondebok zal dienen (Wajjikra 16:8). Daar op het moment dat zij voor de Kohen Gadol gebracht worden, nog niet bekend is welke van de twee in de Tempel geofferd zal worden, moeten zij allebei vrij zijn van enig gebrek. Een ernstig gebrek aan een intern orgaan, dat het dier treifa maakt, kan pas ontdekt worden nadat het dier geslacht is [tegenwoordig zouden wij misschien een ultrasound of IMG kunnen toepassen maar dat bestond toen nog niet en bovendien geeft dat ook geen honder procent zekerheid]. Het dier dat geofferd werd kon inderdaad na het slachten op inwendige gebreken worden onderzocht, maar de zondebok kon zelfs postmortem niet onderzocht worden, daar als zijn botten al verbrijzeld waren nog voor hij maar halverwege de helling was, nadat hij van de hoge rots  was afgegooid.

Daar het trekken van loten, om vast te stellen welk dier de zondebok zou zijn, alleen geldig is wanneer dat dier evengoed in staat was om als onbeschadigd offer te dienen, hebben wij hier een probleem: Hoe weten wij dat deze geit, die zijn leven als zondebok zal eindi­gen, geen intern gebrek heeft?

Het antwoord, zegt Rabbi Acha, is dat Tora ons hier leert dat we in halachische aangele­genheden de regel van de waarschijnlijkheid volgen. Daar de meeste dieren geen interne afwijkingen hebben, mogen wij aannemen dat de zondebok er ook geen heeft en we hoeven niet bezorgd te zijn dat hij een uitzondering op de regel vormt. Dit principe van waarschijnlijkheid wordt algemeen toegepast in de Talmoed en vele andere mogelijke bronnen ervoor worden in onze soegia genoemd.