Choellien-index


DAF-Notities Choelien 121a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Geen vlees en geen genezers

„Want al de goden van de volken zijn eliliem” zeggen wij in onze dagelijkse ochtendgebeden, om de onbelangrijkheid van al de afgoden die de mensen aanbidden af te steken tegen „G-d die de hemelen geschapen heeft.”

Het woord eliliem is een combinatie van de twee Hebreeuwse woorden voor „nee” (al en lo). Het woord komt in onze gemara voor in de discussie over het woord elal, dat in de misjna op daf 117b genoemd wordt in de betekenis van een klein deel van een dier dat gecombineerd met vlees van dat dier toema (rituele reinheid) kan overbrengen op voedsel. Rabbi Jochanan definiëert dit elal als marteka, volgens Rasji een zeer harde zenuw in de hals, volgens Rabbeinoe Chananel en Rabbeinoe Tam dood vlees van een wond. Wanneer het van een levend dier wordt weggesneden, herstelt het zich niet.

Rabbi Jochanan noemt als bron voor zijn definities een vers in Ijov (13:4) waar deze zijn vrienden, die kwamen om hem te troosten, vermaant dat „zij allen eliel genezers zijn” - genezers van niets, als zij suggereren dat zijn lijden het resultaat is van zijn eigen zonden. Hoewel zijn vrienden de beste bedoelingen hadden en hem enkele sterke theologische ideeën voorlegden, was Ijov teleurgesteld in zijn gesprek met hen en verwierp hij hun therapie als van nul en generlei waarde.

[Het woord eliliem zoals dat in ons ochtendgebed voorkomt, dat zijn bron vindt in Kronieken I, 16:26, wordt geschreven met een jod (เ์้์้ํ, meervoud van เ์้์ – Alef-Lamed-Jod-Lamed), maar in Ijov staat het geschreven zonder Jod ( เม์ฤ์ en wordt toch uitgesproken als eliel. Het woord เฦ์ศ์ elal dat in onze misjna voorkomt en net zo geschreven wordt, wordt daarom daarmee vergeleken. Het zou dus betekenen iets dat niets waard is. Een „nietsje”.