Choellien-index


DAF-Notities Choelien 122a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De huid redden

De huid van een mens, zowel als de huid van bepaalde dieren, heeft dezelfde status als zijn vlees voor wat betreft de rituele reinheid. Dat wil zeggen dat als iemand in contact komt met een stuk van de huid van een lijk, of er zich samen mee onder een dak bevindt, dan wordt hij onrein, alsof hij het lijk zelf had aangeraakt.

De geleerde Oella legt uit dat volgens Tora de huid van een lijk geen toema rituele onreinheid overbrengt. Wanneer Tora zegt dat zelfs een deel van een lijk verontreinigt (Bamidbar 19:16), dan wordt een bot als het klassieke voorbeeld genoemd. Hieruit concluderen onze geleerden (Nidda 55a) dat alleen iets zoals een bot, dat zichzelf niet kan herstellen, toema kan overbrengen, maar huid, dat weer aangroeit wanneer het verwijderd wordt, brengt geen toema over.

Waarom verordenden onze geleerden dan dat de huid van een mens wel onreinheid kan overbrengen?

Oella legt uit dat zij bezorgd waren dat iemand zo ongevoelig zou zijn dat hij de huid van zijn overleden ouders zou gebruiken als sprei voor zijn bed. Om dat te ontmoedigen hebben zij bepaald dat het onreinheid veroorzaakt.

Maar, zo zal men nu vragen, daar het verboden is om enig profijt te hebben van een lijk, zou dat alleen niet voldoende zijn geweest voor het decreet, zonder dat er noodzaak zou zijn voor het extreme denkbeeld van iemand die de huid van zijn ouders zou gebruiken? Deze vraag wordt opgeworpen door Tosafot op een half dozijn plaatsen en wij geven hier de meest prominente oplossingen die voorgesteld worden.

  • Men heeft makkelijker toegang tot de huid van een ouder dan tot die van andere lijken, en het was deze toegankelijkheid die de aanleiding van het decreet was.

  • Het verbod op profijt van de huid van een lijk is geen Tora-verbod en werd alleen door de geleerden ingesteld uit bezorgdheid dat iemand van de huid van zijn ouders gebruik zou maken.

  • Zelfs al zou het verbod op profijt van de huid van een lijk een Tora-verbod zijn, dan zou dat alleen nog niet de geleerden ertoe hebben bewogen om hun decreet van onreinheid uit te vaardigen om iemand te weerhouden van overtreding van dit Tora-gebod, omdat het onwaarschijnlijk is dat zoiets zou gebeuren. Maar aangezien er bezorgdheid bestond dat iemand niet alleen dit verbod zou overtreden maar ook een zo ernstig gebrek aan respect voor zijn ouders zou tonen, daarom maakten zij dit decreet, ondanks dat het nauwelijks voorkomt.