Choellien-index


DAF-Notities Choelien 127b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het paradoxale verband

Wanneer wordt iets beschouwd als te zijn verbonden en tegelijkertijd los?

Voedsel wordt als onrein beschouwd als het in contact is gekomen met een onreinmakend voorwerp, zoals het lijk van een dier dat niet door sjechita gestorven is. Maar om ontvankelijk te zijn voor een dergelijke verontreiniging, moet dit voedsel niet langer deel uitmaken van zijn levende bron. Zolang als een dier nog leeft, kan zijn vlees niet onrein worden en zolang de vruchten en groente nog groeien, zijn zij immuun voor onreinheid.

Wat gebeurt er echter wanneer vijgen uitdrogen, behalve hun stelen, die nog aan de boom vastzitten? Beschouwen wij ze als nog steeds een deel van de boom of niet? Hieraan zitten twee verschillende aspecten. Worden de vijgen beschouwd als te zijn los van de boom en zijn zij daarom gevoelig voor toema? En is iemand die ze op Sjabbat van de boom plukt  schuldig aan overtreding van het Tora-verbod dat men niet mag plukken op Sjabbat? (Als ze als los van de boom beschouwd worden, zijn ze ontvankelijk voor toema en wie ze plukt op Sjabbat overtreedt niet; daarentegen als ze nog als vast zittend aan de boom beschouwd worden, zijn ze niet ontvankelijk voor onreinheid maar wie ze plukt overtreedt Sjabbat.)

Rav Chia bar Asji citeert een interessante regeling van de geleerde Sjmoeël:

Zolang als de stelen van de vijgen niet uitgedroogd zijn, samen met de vruchten, dan beschouwen we de vruchten alsof zij nog aan de boom groeien. Daarom, als iemand vergeet dat het Sjabbat is en deze vijgen plukt, dan moet hij een zondoffer brengen om boete te doen voor zijn onopzettelijke overtreding van Sjabbat. Maar wanneeer deze zelfde vijgen in contact komen met iets dat kan verontreinigen, dan worden zij beschouwd als los van de boom en mekabel toema (ontvankelijk voor onreinheid).

Dezelfde paradoxale situatie bestaat  met betrekking tot een orgaan van een dier, dat bijna volledig is losgeraakt, maar met nog een haardun stukje vlees verbonden is aan het lichaam. Voor wat betreft de regeling van de onreinheid van een los orgaan, wordt het beschouwd als nog steeds verbonden met en deel van het levende dier en daarom is het rein en valt het niet onder de regeling van onreinheid van een losgeraakt orgaan. Maar voor wat betreft de onreinheid van voedsel dat in contact komt met een onreinmakend voorwerp, wordt het beschouwd als een los orgaan en ontvankelijk voor toema.

Deze paradox, die ontstaat door de wijze waarop de mondelinge leer de schriftelijke leer interpreteert, kan het best begrepen worden wanneer we zeggen dat de vraag of voedsel ontvankelijk is voor toema niet afhankelijk is van de vraag of het werkelijk los zit van het dier maar of het waarschijnlijk is dat het spoedig voedsel zal zijn.