Choellien-index


DAF-Notities Nr. 187

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 12a

Het geval van de afwezige agent

Geval 1: Een man wijst een agent aan om een dier voor hem te slachten. Later vindt hij het dier geslacht, maar hij weet niet of het dier door zijn agent, een ervaren sjocheet, geslacht is of door iemand anders, misschien iemand die niet bevoegd was.

Geval 2: Een man wijst een agent aan om voor hem zijn graan te vertienden. Later vindt hij zijn graan vertiend, maar hij weet niet of de agent, die hij daartoe opdracht had gegeven, het gedaan heeft, of iemand anders die hij daartoe geen opdracht had gegeven.

In het eerste geval beschouwen wij de sjechita geldig. In het tweede geval moet hij het graan opnieuw vertienden. Wat is het verschil?

De vraag of wij mogen aannemen dat een agent zijn opdracht naar behoren heeft uitge­voerd, wordt op een aantal plaatsen in de gemara behandeld, met name in Gittin 64, waar een situatie genoemd wordt, waarin agenten zijn benoemd om een get – een echtschei­dings­akte – naar een vrouw te brengen. De conclusie is, dat wij er niet aan hoeven te twijfelen dat de agent zijn missie volbracht heeft, en dus handelen wij strikt in dergelijke situaties, zoals wij in alle gevallen doen als er twijfel bestaat over een Tora-wet. Wanneer een man een agent benoemt om een huwlijk te sluiten met een niet nader aangewezen vrouw en de agent sterft voordat hij terugkomt, dan is de man verboden met welke vrouw in de wereld dan ook te trouwen, want misschien is zij wel een verboden familielid van de mysterieuze vrouw, waaraan de agent hem door middel van een huwelijk verbonden heeft.

Zo ook, wanneer hij een agent opdracht gegeven heeft om een get naar zijn vrouw te brengen en zij heeft  de get niet in haar bezit maar beweert dat zij het wel heeft ontvangen maar vervolgens heeft verloren, ook dan zijn wij streng en veronderstellen wij niet dat zij gescheiden is. In beide gevallen hangt alles af van de veronderstelling dat de agent zijn missie volbracht heeft. Daar de veronderstelling twijfelachtig is, dat wil zeggen: wij weten het niet zeker of hij zijn missie volbracht heeft, passen wij het streng toe, zoals in het eerste geval van het huwelijk, maar niet voor een soepele uitleg, zoals in het tweede geval, van de echtscheiding.

In ons geval van sjechita en vertiending gebruiken wij dezelfde benadering. Wij hebben geen zekerheid of de agent zijn opdracht heeft uitgevoerd, en de sjechita gedaan heeft. Maar zelfs al veronderstellen wij dat iemand anders de opdracht van de eigenaar van het dier gehoord heeft, en hem een plezier wilde doen en de sjechita uitgevoerd heeft zonder daartoe de opdracht te hebben gekregen, dan gaan wij ervan uit dat de sjechita geldig is, omdat de meeste mensen die zich met sjechita bezig houden, daartoe bevoegd zijn. Het feit dat hij niet daartoe is aangewezen, is onbelangrijk voor de geldigheid van de sjechita. Maar voor wat betreft de vertiending daarentegen, beperkt de Tora de geldigheid van deze handeling tot de eigenaar van het graan of iemand die hij daartoe heeft aangewezen. Aangezien er twijfel bestaat of de agent zijn taak heeft uitgevoerd, beschouwen wij het graan als nog steeds onvertiend.