Choellien-index


DAF-Notities Nr. 188

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 13b

Offers voor de Doden

Toen Koning David de zonden van de Joden opsomde, die de afgod Ba’al Peror dienden tijdens hun rondzwervingen door de woestijn, op weg naar Erets Jisraël, ging hij verder dan de beschrijving van de Tora, dat „zij zich hechtten aan Ba’al Peor (Bamidbar 25:3). Hij voegde eraan toe dat zij zich niet alleen hechtten aan de afgodische dienst op aansporing van de ontuchtige dochters van Moav, maar  ook dat „zij aten van de offers die gebracht werden voor de doden” (Tehilliem 106:28).

Het woord „doden” slaat hier natuurlijk op de afgoden, die levenloos zijn en geen macht hebben, behalve in de misleidde gedachten van hun dienaren. Maar de vergelijking van offers aan afgoden met de doden heeft ook halachische betekenis.

Rabbi Jehoeda ben Betera zag in deze vergelijking een basis,  om te beslissen dat iets, dat geofferd was voor een afgod, een Jood verontreinigt door de geestelijke veront­reiniging die eraan kleeft, zelfs al is er geen fysiek contact. Net zoals men geestelijke onreinheid kan aantrekken wanneer men zich met een lijk onder een dak bevindt, zo ook verkrijgt men die status wanneer men samen met iets, dat aan een afgod geofferd is, onder een dak bevindt.

Tosafot wijst erop, dat zelfs de geleerden, die het hier niet mee eens zijn, deze vergelijking toepassen als basis voor het voorschrift, dat het verboden is enig profijt te hebben van een offer voor een afgod, net zoals het verboden is om enig profijt te hebben van een dood lichaam. Zij beperken deze vergelijking echter, daar het vers het alleen over het eten van deze afgodsoffers heeft, hetgeen een vorm van profijt hebben is, maar zij hebben het niet over spirituele verontreiniging.

Het gebruik van de uitdrukking „offer aan de doden” klinkt waarschijnlijk bekend in de oren voor diegenen die de Pirkei Awot in de zomer na Sjabbat-mincha leren. Het is daar, in hoofdstuk 3, Misjna 4, dat Rabbi Sjim’on ons leert, dat wanneer drie Joden samen eten aan één tafel, zonder een woord van Tora te spreken, zij beschouwd worden alsof zij gegeten hebben van „offers aan de doden,” maar wanneer zij wel over Tora spreken, dan worden zij beschouwd alsof zij met G-d aan tafel gezeten hebben.