Choellien-index


DAF-Notities Choelien 142a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De gedachten die tellen

Zowel Acheer (de Geleerde Elisja ben Awoeja, de leraar van Rabbi Meïr) als zijn kleinzoon Rabbi Ja'akov zagen ieder in zijn eigen tijd gelijksoortige incidenten die hun vertrouwen in Hasjem op de proef stelden.

Rabbi Ja'akov vertelde dat hij een vader zag die zijn zoon vroeg om hoog in een boom te klimmen en hem de kuikens uit een nest te brengen, nadat hij de moedervogel eerst heeft weggestuurd. De zoon vervult gehoorzaam beide mitswot hij eert zijn vader door diens verzoek uit te voeren en hij zendt de moedervogel weg. Voor de vervulling van beide mitswot belooft Tora een lang leven als beloning. Maar als de jongen terug naar beneden klimt, valt hij en is dood.

Acheer, die iets soortgelijks zag, verloor zijn geloof. Zijn kleinzoon echter kwam tot de conclusie dat de toegezegde beloning pas zou komen na de Wederopstanding van de doden in een wereld die in zijn geheel lang en goed is en niet in deze voorbijgaande wereld.

De Talmoed bespreekt beider conclusies en suggereert dat er inderdaad een beloning van een lang leven is in deze wereld, maar dat de jongen die dood naar beneden viel, misschien schuldig was aan slechte gedachten van afgoderij, waarvoor men gestraft wordt, zelfs al resulteren de gedachten niet in daadwerkelijke handelingen.

Over de vraag waarom het woord Hasjem tweemaal voorkomt in de Dertien Eigen-schappen van Genade (Sjemot 34:6) verklaart de Rosj in Rosj HaSjana 17b dat Hasjem tweemaal genadig is, eenmaal voordat de zonde gepleegd is en eenmaal daarna. Er is noodzaak van genade voordat de zonde gepleegd is voor iemand die alleen nog maar denkt aan afgoderij, zo verklaart hij. Hasjems genade weerhoudt de straf die hij verdient voor een dergelijke gedachte totdat hij zijn bedoelingen daadwerkelijk in praktijk gebracht heeft en pas dan wordt hij gestraft, zowel voor de gedachte als voor de daad zelf.

Eén van de commentatoren heeft, naar aanleiding van de verklaring van de Rosj, een vraag over het probleem van onze soegia: Wanneer gedachten alleen aan afgoderij niet gestraft worden, hoe kan de Talmoed dan suggereren dat de zoon vroegtijdig de dood vond alleen wegens zijn zondige gedachten?

De Korban Netanel maakt in zijn commentaar op de Rosj  onderscheid tussen een gedachte aan afgoderij maar die niet daadwerkelijk werd uitgevoerd doordat de persoon in kwestie berouw kreeg en een slechte gedachten die niet werd uitgevoerd door omstandigheden die hem ervan weerhielden om zijn plannen in praktijk te brengen. In het eerste geval is er helemaal geen straf en het is een dergelijke situatie waarop de Rosj doelt. De suggestie van de Talmoed is dat de zoon misschien aan afgoderij gedacht heeft en door omstandigheden daarvan weerhouden werd, en daarom werd hij gestraft voor de gedachten alleen.

[De Gemara vervolgt en vraagt, dat als er beloning voor een mitswa in deze wereld is, dan zouden de mitswot die de zoon gedaan heeft, hem op zijn minst moeten hebben beschermen bij de uitvoering van de mitswot, zodat hij niet tot zondige gedachten zou komen en daardoor gestraft zou worden. Het feit dat de zoon zondige gedachten kon hebben is een aanwijzing dat er geen beloning in deze wereld is voor een mitswa. De Gemara vindt dit moeilijk, immers R. Elazar heeft toch gezegd dat wie wordt uitgezonden voor een mitswa, ongedeerd blijft?

De Gemara antwoordt: dat geldt alleen als zij op de heenweg zijn om de mitswa uit te voeren, maar wanneer zij na de mitswa te hebben uitgevoerd terugkeren dan zijn zij ontvankelijk voor schade. En bovendien, het was een gammele ladder en op een plaats waar de kans op een ongeluk groter is, beschermt een mitswa niet, zoals er geschreven staat in I Sjmoeël 16:2, waar Sjmoeël er door Hasjem op wordt uitgezonden om David tot koning te zalven: En Sjmoeël vroeg: Hoe kan ik gaan? Als Sjaoel het ontdekt zal hij mij laten doden. Daarop zei Hasjem: Neem een kalf mee en zeg: k ben gekomen om een offer te brengen voor Hasjem. Uit het feit dat Sjmoeël, die er door Hasjem op was uitgestuurd om een opdracht uit te voeren, bevreesd was dat Sjaoel hem zou doden, blijkt dat er, wanneer gevaar groot is, men niet kan rekenen op de bescherming die een mitswa biedt.

Sommigen in de Gemara zegen dat Acheer iets anders gezien heeft wat hem van zijn vertrouwen in Hasjem deed afvallen, namelijk hoe de tong van Choetspiet de Metoergeman (de woordvoerder van Rabban Gamliël, die de woorden van de Geleerde luid herhaalde voor het publiek) door de Romeinse beulen uit zijn mond gerukt werd en (volgens Kiddoesjien door een varken) over de grond werd gesleept (Choetspiet was één van de tien martelaren die door de Romeinen op wreede wijze ter dood werden gebracht omdat zij het Romeinse verbod om Tora te verspreiden hadden genegeerd). Acheer zei: De mond waaruit paarlen van Tora kwamen, moet het stof likken? Daarna viel hij af. (Talmoed Traktaat Chagiga 15a en 15b geeft nog andere verklaringen voor de afvalligheid van Acheer, een bijnaam die een ander betekent en die hem na zijn afvalligheid gegeven werd en zo wordt hij in de Talmoed genoemd.) De Gemara gaat verder en zegt: Acheer wist niet dat de woorden van Tora: Opdat het je goed zal gaan betrekking hebben op het leven in de (komende) wereld waar het helemaal goed is en de woorden opdat je dagen verlengd worden slaan op een wereld die eeuwig duurt.

Gelukkig is de mens die het goede verdient en de verrukking (van de Komende Wereld); Moge de Alomtegenwoordige ons waardig maken ervan te mogen genieten, samen met de rechtvaardigen (Midrasj Tanchoema, Wajjikra 8) (Zwi)].

 

Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van Traktaat Choelien.