Choellien-index


DAF-Notities Nr. 189

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 17a

Restanten

Wanneer ging het gebod van sjechita voor het eerst in wer­king?

Sinds dat het Volk Israël het Land Israël binnentrok, zegt Rabbi Akiwa, want er staat [in Dewariem 12:21]: „Wanneer de plaats die de Eeuwige je G­­‑d heeft uitgekozen om Zijn naam te vestigen, ver van jou verwijderd is, dan zal je van je rund- en kleinvee slachten, enz.” Toen het Joodse volk in de woestijn was, waren zij altijd dichtbij het Heilig­dom, dus was er geen verbod op het eten van vlees van een dier dat op welke manier dan ook gedood was.

Rabbi Jeremia stelt een interessante vraag: Wanneer iemand, op het tijdstip dat de Joden de eerste keer het Land Israël binnentrokken, nog vlees over had van een dier, dat niet door sjechita gedood was, mocht hij dat dan nog opeten?

Rasji ziet dit al een zuiver academische vraag naar iets dat lang geleden gebeurde en dat geen praktische relevantie meer heeft. De Rosj is het daar niet mee eens, want de Talmoed wijdt wel uit over academische vragen om Tora-verzen nader te verklaren, maar niet om te speculeren wat er historisch gezien gebeurde. Hij veronderstelt dat er echter wel een praktische toepassing is. Als iemand bijvoorbeeld gezworen heeft om na een bepaalde dag iets specifieks niet meer te eten, mag hij dan nog wel opeten wat hij nog over heeft van vóór die datum, nadat die dag is ingegaan?

Een van de grote chassidische leiders, de auteur van Bnei Jissaschar haalt een geleerde aan die een ander voorbeeld noemt, paralel aan dat van Rabbi Jeremia’s vraag. Wanneer iemand vlees over heeft van zijn Sjabbatmaaltijd, mag hij dat dan de volgende dag eten, ook al valt die volgende dag in de Negen Dagen voor Tisja BeAv, gedurende welke tijd het eten van vlees verboden is?

De vergelijking wordt bestreden door de Bnei Jissaschar. In het geval van Rabbi Jeremia is er geen probleem met het vlees zelf van een dood dier. Het is alleen de mitswa van sjechita die zegt dat al het vlees van dieren die anders gedood zijn, niet kosjer is. Daarom is er geen reden om te veronderstellen dat vlees van een dier dat gedood werd voordat de mitswa in werking trad, toegestaan blijft om te worden gegeten. Betreffende de Negen Dagen echter, komt het verbod op het eten van vlees voort uit de noodzaak om te rouwen voor de verwoesting van de Tempel, hetgeen plaats vond op de Negende Av. Er is daarom geen reden te bedenken waarom men soepel zou zijn met die rouw, alleen maar omdat men wat vlees over heeft van de vorige dag, toen men het nog wel mocht eten.