Choellien-index


DAF-Notities Nr. 190

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 17b

Het tonen van het sjechita-mes

Na de overwinning op de Filistijnen, wijdden de soldaten van Koning Sjaoels leger de dieren die zij hadden buitgemaakt, om ze te offeren aan Hasjem. In hun haast om het vlees van deze offers te eten, begonnen zij al te eten voordat het bloed ervan op het altaar was gespren­keld. Toen de koning dit hoorde, gaf hij opdracht dat er een grote steen bij hem gebracht zou worden, die zou dienen als altaar. Dat was in de periode, dat het Misjkan tijdelijk in Nob stond, toegestaan. Hij liet vervolgens een order uitgaan aan al zijn manschappen om hun dieren naar hem te brengen en „hiermee te slachten” (I Sjemoeël 14:32-34).

Waarmee? De eenvoudige verklaring hiervan is dat Koning Sjaoel wilde dat de dieren bij dit altaar geslacht zouden worden, zodat hun bloed onmiddellijk daarop gesprenkeld kon worden. Rabbi Chisda ziet er echter meer in dan alleen een opdracht over waar geslacht moest worden. „Slacht hen hiermee„ zei Koning Sjaöel. Hij had ook kunnen zeggen „Slacht het hier”. Waarom „hiermee”? Kennelijk gaf hij hun een slachtmes, waarmee zij moesten slach­ten. We mogen veronderstellen dat de soldaten van de koning zelf ook wel iets hadden waarmee zij een dier konden slachten, maar dat was kennelijk in de ogen van de koning geen geschikt voorwerp om mee te slachten. Daarom gaf hij hun een slachtmes dat hij geïnspecteerd had om er zeker van te zijn dat het geschikt was om er sjechita mee te doen. Dit, concludeert Rabbi Chisda, is de Tora-bron voor de regel dat een sjocheet zijn mes moet laten zien aan een halachische autoriteit voordat hij de sjechita uitvoert, om te controleren of het kosjer is.

Rabbi Chisda’s uitspraak wordt wat bijgesteld door een uitspraak van Rabbi Jochanan, die eerder (Choelien 10b) verklaarde dat er volgens Tora geen noodzaak is dat het sjechita-mes door een halachische autoriteit geïnspecteerd wordt, omdat de sjocheet zelf veron­der­steld wordt een halachische autoriteit te zijn op het gebied van sjechita en dus geloofd kan worden wanneer hij verklaart dat het mes zonder gebreken is. Het was alleen om eer te bewijzen aan de halachische autoriteit dat de Geleerden ingesteld hebben dat de sjo­cheet de goedkeuring moet vragen voor zijn mes. Het verhaal van Sjaoel’s inspectie van het slachtmes dat hij aan zijn mannen gaf om er sjechita mee te doen, dient slechts als een aanwijzing van Tora om deze praktijk in te voeren [zo iets als: ‘Wij, Rabbijnen hebben het recht dit zo in te voeren, kijk maar, het wordt ook in Tora reeds genoemd].