Choellien-index


DAF-Notities Nr. 192

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 21a

De tragische val

Wanneer een man zijn nek breekt, samen met het meeste vlees dat eraan zit, wordt hij als dood beschouwd, en daarmee wordt ieder die zich met hem onder hetzelfde dak bevindt, tamee Ė ritueel onrein.

De verklaring van Rabbi Jehoeda in naam van de geleerde Sjmoeël dat de doodstoestand in dit geval ook afhankelijk is van het loslaten van het vlees, wordt in twijfel getrokken door de beschrijving die wij vinden van de dood van de Kohen Gadol Eli. Eli was 98 jaar en blind, nadat hij 40 jaar zijn volk geleid had, toen de oorlog met de Filistijnen uitbrak. Iemand die aan de nederlaag, die Israëlieten op het slagveld geleden hadden, ontkomen was, kwam Eli het vreselijke nieuws vertellen van de enorme verliezen, waaronder de dood van Eliīs twee zonen. Toen de man ook nog vertelde dat de Heilige Ark door de vijand was veroverd en buitgemaakt, werd Eli zodanig overmeesterd door verdriet dat hij achterover sloeg, van zijn stoel viel, zijn nek brak en stierf (I Sjmoeël 4:15-18). Daar alleen  het breken van zijn nek genoemd wordt, lijkt het erop dat de dood ook veroorzaakt kan worden zonder dat het vlees dat eraan vast zit, is los gelaten. Dat zou dan strijdig zijn met Sjmoeëls regeling.

Het antwoord hierop is een verwijzing naar Eliís vergevorderde leeftijd. Daar hij al zo oud was, stierf hij alleen al door het breken van zijn nek, hoewel het vlees nog op zijn plaats zat. De eenvoudige commentaren die op deze verzen gegeven worden, vestigen de nadruk op Eliís hoge leeftijd. Eli was zeer dik en de zwaarte van zijn lichaam brak zijn val. De gemara ziet in zijn hoge leeftijd een extra bijdragende factor als doodsoorzaak, hetgeen bij een jonge man niet zou zijn gebeurd.