Choellien-index


DAF-Notities Nr. 181

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choellien 2a

De man van Dan

Sjechitahet rituele slachten van dieren en vogels – is het onderwerp van de eerste twee hoofdstukken van onze mesechta.

„Iedereen is geschikt om sjechita te doen,” met die woorden opent de misjna. Vallen onder dat „iedereen” ook vrouwen?

Ja, zeggen de commentatoren en zo beslist de Sjoelchan Aroech (Joré Dea 1:1). Zij wijzen erop dat er geen reden is waarom vrouwen er niet geschikt voor zouden zijn en dat de misjna het niet eens nodig vindt om hun te noemen, zoals onze geleerden in andere gevallen deden, waar er reden was om aan te nemen dat er voor vrouwen andere regels gelden. Zelfs de Rama (ibid), die opmerkt dat het niet de gewoonte is dat vrouwen slachten, stemt ermee in dat de sjechita van een vrouw in orde is.

Er is echter één afwijkende mening, afkomstig van een misterieuze bron. Rabbi Eldan ben Machli kwam ongeveer duizend jaar geleden in Erets Jisrael aan, met de bewering dat hij afkomstig was van de verloren stam Dan en dat hij in het bezit was van een aantal wetten, die zijn stam naleefde op basis van een traditie die terugging tot Mosjé. Eén van deze „wetten van Erets Jisrael” die deze man, die de geschiedenis is ingegaan als Eldan de Daniet, noemde was dat vrouwen niet geschikt waren voor sjechita.

Deze mening werd niet geaccepteerd door de halachische autoriteiten, net zoals een aan­tal andere wetten die hij noemde, en die allen er niet in slaagden te worden erkend. Daaronder vielen regels zoals dat wanneer men geen beracha maakte voor de sjechita, of de sjechita zonder hoofdbedekking uitvoerde, de sjechita ongeldig was.

De poskiem stelden zich op het standpunt dat zelfs al bestond er een ver verwijderd klein deel van het Joodse volk dat leefde volgens deze regels, dan waren het nog geen wetten, omdat de aanwijzingen van de Talmoed ze tegenspreken, maar verzwaringen die de Danieten op zich genomen hadden, maar die niet door de rest van het volk geaccepteerd waren.