Choellien-index


DAF-Notities Nr. 197

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf  Choelien 30b

Sjechita, Pijlen en een boze tong

Wat is het verband tussen sjechita – het rituele slachten van dieren, hetgeen het onderwerp is van het perek [hoofdstuk] dat wij nu bestuderen – en een pijl en een boze tong?

De derde regeling van de Misjna op daf 30b zegt dat wanneer men met één haal de kop van de romp scheidt bij het slachten, de sjechita ongeldig is. Op de vraag wat de bron van deze regeling in de Bijbel is, geeft geleerde Sjmoeël als antwoord een vers uit Jeremiahoe. De Profeet bekritiseert de lasteraars onder zijn volk en beschrijft hen als „hun tongen zijn als getrokken pijlen en hun conversatie is bedrog” (Jeremiahoe 9:7).

Het woord dat in dit vers voor „getrokken” gebruikt wordt is sjachoet, hetgeen hetzelfde is als het woord dat gebruikt wordt voor iets dat geslacht is. Deze overeenkomst suggereert een vergelijking tussen het aantrekken van een pijl op de boog, waarna die op zijn doel zal afvliegen en de trek-beweging tijdens het slachtproces van de sjechita.

Maar waarom vergelijkt de profeet het effect van een schot met een pijl en boog met dat van een boze tong?

De commentatoren leggen uit dat dit een referentie is aan het lange termijn effect van lasterpraat. Net als sjechita het dier doodt en een pijl zijn doel doodt, zo ook verslaat de boze tong het slachtoffer dat hij treft. En net zoals de pijl in staat is de dood te veroorzaken op grote afstand, zo kunnen de roddelaar en de lasteraar met hun boze tong op ieder afstand fatale schade aan een slachtoffer veroorzaken.