Choellien-index


DAF-Notities Nr. 198

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Daf  Choelien 31a

Over bedekt bloed

In onze Gemara wordt zijdelings vooruit gekeken naar het zesde perek dat gaat over het Tora-vereiste om het bloed van een geslachte vogel of van een wild dier dat geofferd werd, te bedekken.

Ons wordt van een voorval veteld waarbij de geleerde Rava een pijl onderzocht om vast te stellen of er geen onregelmatigheden aan zaten, die het zouden diskwalificeren voor sjechita. Daarna overhandigde hij de pijl aan Rabbi Jona bar Tachfila die ermee op een vogel in de vlucht schoot en het dier daarbij slachtte.

Na te hebben uitgelegd dat de daarop volgende inspectie van het gedode beest verzekerde dat de sjechita volgens de voorschriften was uitgevoerd, komt de Gemara met de vraag hoe de mitswa van de bedekking van het bloed werd uitgevoerd [ten slotte werd de vogel geslacht tijdens zijn vlucht en verloor hij dus zijn bloed tijdens zijn val]. Indien alleen wat stof of losse aarde over het verspilde bloed gelegd moest worden, zou er geen probleem geweest zijn. Maar, zoals Rabbi Zeira opmerkte, in naam van de geleerde Rav, geeft de Tora niet opdracht om het bloed eenvoudig te bedekken, maar dat men erop moet toezien dat het bloed „bedekt wordt met stof” (Wajjikra 17:13), hetgeen betekent dat er stof of losse aarde moet zijn zowel onder als boven het bloed. Bij een normale sjechita wordt zo een bodemlaagje van te voren bereid, maar hoe kon Rabbi Jona precies weten waar het bloed van zijn vliegende object zou neerkomen?

Er worden twee oplossingen geboden. De ene is dat hij los zand uitspeidde over het hele gebied waarover de vogel vloog, zodat het zeker zou zijn dat het bloed terecht zou komen op een gekwalificeerde onder­grond. De andere oplossing is dat hij met opzet als jachtgrond een veld had uitgezocht dat over zijn hele oppervlak zo een laag losse aarde had liggen en hij bereidde het mondeling voor dat het zou dienen als bodemlaag.

Dat iemand correct met pijl en boog op deze wijze kan slachten helpt ons het commentaar van Rasji te be­grijpen dat hij geeft op het vers in Bereisjiet (27:3), waar Jitschak zijn zoon Esav opdracht geeft om wild te jagen voordat hij hem de zegen zal geven. Hij vertelt hem, zo schrijft Rasji, zijn mes te scherpen, zodat hij een kosjere sjechita zal uitvoeren. In het vers is echter ook sprake van  zijn pijl en boog,  en dat schijnen nauwelijks de juiste instrumenten te zijn voor een kosjere sjechita. Men moet daarom tot de conclusie komen dat Esav, die in Tora (Bereisjiet 25:27) als een meester jager wordt beschreven, niet minder bedreven was met de omgang van pijl en boog als Rabbi Jona.