Choellien-index


DAF-Notities Nr. 199

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 37b

De standaard van de Profeet

„O Heer, G-d, zie, mijn ziel werd nimmer verontreinigd; sinds mijn jeugd tot nu toe heb ik nimmer nevela [iets dat uit zichzelf was ge­storven] of treifa [iets dat dodelijk ziek was ten gevolge van een gebrek in een van de organen] gegeten, noch kwam er ooit piggoel [verworpen offervlees] in mijn mond” (Jechezkel 4:14).

Aldus sprak de Profeet Jechezkel naar aanleiding dat hij het G-ddelijke bevel gekregen had om zijn voedsel te bereiden op een bijzonder afschuwelijke manier, als een profetische indicatie voor het komende lijden van zijn zondig volk. Oppervlakkig gezien was dit een verzoek om zijn gevoeligheid voor alles wat van onwaardige aard was, te eerbiedigen. En inderdaad werd de opdracht daarop verzacht.

Onze geleerden echter zagen in de woorden van de profeet een schets van zijn superieure standaard voor spiritueel gedrag, dat boven de letter van de wet uit steeg.

„Mijn ziel werd nimmer verontreinigd” kan niet alleen maar slaan op het feit dat hij zich nimmer bewust in contact gebracht had met de dood, want Jechezkel was een kohen, en een dergelijk gedrag wordt verwacht van iedere kohen. Zijn trots was dat hij zodanig in beslag genomen werd door zijn zuivere gedachten overdag, dat hij nimmer het slachtoffer werd van verontreinigende gedachten, die hem een nachtelijke zaadlozing zouden bezorgen.

„Ik heb nimmer nevela of treifa gegeten” kan niet betekenen dat hij alleen maar niet datgene gegeten had wat voor iedere Jood verboden is. Het slaat daarom op een dier dat geen defecte organen heeft, maar dat zo dichtbij stervend was [een mesoekenet], dat het in alle haast naar de sjocheet gebracht wordt, opdat het nog geslacht kan worden terwijl het nog leeft. Hoewel de halacha het vlees van een dergelijk dier toestaat, omdat het niet treifa is [want al zijn organen zijn nog intact] en ook niet nevel [want het leeft nog], vermijdde Jechezkel dat te eten, omdat het zo dicht bij de dood stond.

„Noch kwam er ooit piggoel in mijn mond.” Dit kan niet alleen maar slaan op piggoel, hetgeen voor iedereen verboden is om te eten. Piggoel is het vlees van een offerdier dat geslacht werd door een sjocheet die daarbij in gedachte had dat het gegeten zou worden na de daarvoor door Tora toegestane tijd. Wie dit toch eet wordt gestraft met kareet – uitroeiing door de Hemel. Dat Jechezkel dat nimmer gegeten had was niet iets om bijzonder trots op te zijn. Geen Jood at dat. De opmerking van de Profeet moet dus slaan op zijn afkeer van het eten van vlees van ieder dier waarover kasjroet-vragen gerezen zijn, zelfs al werd er uiteindelijk positief over beslist.

(Dit is de bron van wat „glattkosjer” genoemd wordt).