Choellien-index


DAF-Notities Nr. 200

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 39b

Sla je hoofd tegen de berg

Wanneer een Jood een dier slacht dat het eigendom is van een heiden, dan bestaat er een meningsverschil over de vraag of het vlees kosjer is of niet. Volgens één mening kunnen de gedachten van de niet-Jood de gel­dig­heid van de Joodse sjechita niet beïnvloeden, zelfs niet al had de afgo­dendienaar de bedoeling om stukken van het geslachte vlees te offeren voor zijn afgod. Rabbi Eli’ezer ech­ter is van mening dat de bedoelingen van de niet-Joodse eigenaar de sjechita tot een handeling van afgo­derij maakt, waardoor het vlees voor een Jood verboden wordt.

Maar hoe zit dat als het dier het eigendom is van een Jood en de heiden gaf hem alleen maar geld als voor­uitbetaling op een aandeel in het vlees? Beslist Rabbi Eli’ezer in ook dat geval dat het vlees verboden is?

Deze vraag werd voorgelegd aan Rav Asji, die het volgende antwoord gaf:

Het hangt ervan af of de heiden een gewelddadig iemand was, die het niet zou toestaan als de Jood hem het geld zou teruggeven om op de overeenkomst terug te komen. In dat geval wordt de Jood beschouwd als iemand die afstand gedaan heeft van zijn agent te zijn en het vlees is verboden wegens deze afgodische bedoelingen. Wanneer dat echter niet het geval is, dan kan de Jood eenvoudig tegen hem zeggen: „Hier is je geld en daar is de berg. Je kunt òf met je hoofd tegen de berg slaan, òf je geld terugnemen!” [wij zouden zeggen: met je hoofd tegen de muur slaan].

Rasji verklaart dat zelfs als het geld van de niet-Jood een aandeel in het vlees doet verkrijgen, de mogelijkheid van de Jood om hem terug te betalen hem in staat stelt om het te beschouwen alsof hij iedere rol als agent van de afgodendienaar geweigerd heeft en diens bedoelingen zijn daarom niet meer relevant voor de geldigheid van de sjechita.