Choellien-index


DAF-Notities Nr. 201

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 41b

De stiekeme zondaar

Als men een dier slacht buiten het Beit HaMikdasj en bekend maakt dat deze sjechita dient als een offer dat men vrijwillig kan brengen (zoals een olá of sjelemiem) dan is zijn sjechita ongeldig. Dit is een rabbinaal decreet dat gebaseerd is op de vrees dat omstanders zouden veronderstellen dat hij het dier nu als een offerdier gewijd heeft en dan zouden zij daar ten onrechte uit afleiden dat men een offerdier buiten de Heiligdom mag slachten.

Wanneer iemand echter een dier slacht en aankondig dat het voor een chataat [zondoffer] is, dan is de sjechita wel geldig. Men kan namelijk niet vrijwillig een chataat offeren [daartoe wordt men altijd verplicht na een onopzettelijke overtreding, waarop, wanneer die opzettelijk zou worden begaan, de straf van kareet staat] en daarom zullen omstanders die toekijken zich realiseren dat zijn woorden geen betekenis hebben en er is dus in dat geval geen gevaar voor misverstanden.

Wanneer van iemand die verkondigt dat het dier dat hij slacht, bestemd is voor een chataat, bekend is dat hij een chataat moet brengen als zoenoffer, dan is de sjechita ook ongeldig, omdat ook in dat geval de omstanders kunnen denken dat het is toegestaan dat men kennelijk een chataat buiten het Heiligdom mag slachten.

Rasji vraagt: waarom is de sjechita niet ook ongeldig verklaard met een rabbinaal decreet, wanneer niet bekend is dat iemand een zonde begaan heeft waarvoor hij een chataat moet brengen? Is het ten slotte niet waarschijnlijk dat de toeschouwers zullen denken dat hij wel een zonde begaan zal hebben waarvoor hij een chataat verplicht werd en dat dit een bonafide offer buiten het Heiligdom is?

Rasji’s antwoord op zijn eigen vraag is, dat als hij inderdaad een dergelijke onopzettelijke overtreding had begaan, het niet geheim was gebleven. De zondaar zou het zeker publiekelijk bekend hebben gemaakt, opdat hij de verlegenheid en schaamte zou voelen die hem zouden helpen verzoening te verkrijgen. De afwezigheid van een dergelijke publieke kennis zal daarom de toeschouwers ertoe brengen de uitlatingen van de man, van wie niet bekend is dat hij gezondigd heeft,  en dat hij een chataat slacht, als niet serieus te beschouwen en zijn sjechita is daarom ongeldig.

De Mageen Awraham (Sjoelchan Aroech Orach Chaim 607:2) maakt bezwaar tegen Rasji op grond van de Gemara (Joma 86b), dat het vers „Gelukkig is hij wiens overtreding is vergeven en wiens onvrijwillige zonde is verhuld” (Tehilliem 32:1) toepast op iemand wiens zonde niet algemeen bekend is, omdat het bekend maken van iemands zonde het respect voor de Hemel vermindert. Waarom, vraagt hij, suggereert Rasji dat zo een zondaar zijn zonden openbaar bekend zal maken om zo verzoening te verkrijgen, terwijl zulke publiciteit alleen maar averechts werkt?

Zijn oplossing is dat als wij deze man in het openbaar horen verkondigen dat hij een chataat slacht, wij zullen veronderstellen dat hij ten onrechte gelooft dat publieke kennis van zijn zonde zal bijdragen tot zijn boetedoening. Zulk een houding zou hem zeker eerder reeds hebben aangespoord om zijn schuld bekend te maken en daar wij tot dan toe daar niets over gehoord hebben, veronderstellen wij dat hij geen zonde begaan heeft en slaan wij geen acht op wat hij nu verkondigt.


Daf 41b

Een miraculeuze overleving

Ijov was een uiterst rechtvaardig mens wiens vertrouwen in G-d op de proef gesteld werd door G-ddelijk opgelegd lijden, o.a. door verlies van zijn kinderen en zijn fortuin en met erge fysieke pijn. Het feit dat hij in­tel­lectueel in staat was deze tragedie te verdragen ondanks zijn overtuiging dat hij onschuldig was aan enige zonde is het onderwerp van het Sefer Ijov – het Boek Job. Maar dat hij fysiek in staat was te overleven is het onderwerp van debat in onze Gemara.

Als een uitdaging aan Rabbi Jossi bar Jehoeda’s mening dat een gepenetreerde galblaas een dier treifa maakt, citeren de andere geleerden een vers uit Ijov, waarin hij tegen de vrienden, die hem komen troosten, klaagt dat „Hij mijn gal op de grond heeft uitgestort” (Ijov 16:13). Daar Ijov in leven bleef ondanks zijn kennelijk geperforeerde galblaas, is dit een bewijs dat een dergelijke conditie niet fataal is, noch voor een mens, noch voor een dier en daarom maakt dat een dier niet treifa.

De tegenwerping tot deze uitdaging komt van hetzelfde vers. Ijov klaagt ook dat zijn nieren gespleten werden, een toestand waarover iedereen het eens is, dat dat een dier treifa maakt. De conclusie moet zijn dat Ijov of miraculeuze wijze in leven werd gehouden door de Hemel, zodat men geen bewijs kan brengen van zijn toestand.

De bron voor deze wonderbaarlijke dimensie is de dialoog tussen G-d en Satan  betreffende het geloof van Ijov. Nadat G-d Ijovs trouw geprezen heeft, ondanks dat hij zijn kinderen en fortuin verloren heeft, beweert de Satan dat als hij met fysiek lijden getroffen wordt, Ijov zou struikelen. G-d geeft Satan dan de opdracht: „Zie, hij is in jouw handen, maar zorg ervoor dat je hem niet het leven afneemt” (ibid 2:6). Dit was vergelijkbaar, zeggen onze geleerden, met tegen iemand te zeggen dat hij het wijnvat moet kapotslaan, maar dat hij ervoor moet zorgen dat de wijn bewaard blijft – hetgeen alleen door een wonder kan gebeuren.