Choellien-index


DAF-Notities Nr. 202

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 42a

Hoe men het verschil kan zien

„Dit is het dier dat je mag eten,” zei Hasjem tegen Mosjé (Wajjikra 11:2). De nadruk op „dit” leidt tot de interpretatie dat Hasjem aan Mosjé iedere dier­soort liet zien en tegen hem zei: „Dit mag je eten en dit mag je niet eten.”

Onze Gemara roept een vraag op met betrekking tot wat Rasji in zijn com­mentaar schrijft over het G-ddelijke gebod aan Noach om in zijn Ark zeven van iedere reine diersoort mee te nemen en slechts twee van iedere onreine soort. Hoe kon Noach weten wat uiteindelijk aan het Joodse Volk geboden zou worden over reine dieren, die gegeten mogen worden en onreine, die zij niet mogen eten? Dit is het bewijs, zegt Rasji, dat Noach Tora geleerd had.

Maar zelfs als Noach Tora geleerd had, vraagt Ijoen Ja’akov, hoe kon hij onderscheid maken tussen toege­sta­ne en verboden dieren, als Hasjem hem die niet had laten zien, zoals Hij die aan Mosjé Rabbeinoe had laten zien?

Als oplossing voor dit probleem worden wij verwezen naar een Gemara in Zewachiem (116a) waar staat dat Noach alleen maar die dieren in de Ark accepteerde die niet betrokken waren geweest bij enige zondige af­wijking van hun paringsgewoonte. Twee ideeën worden daar gebracht, hoe Noach dit kon weten. Rav Chisda zegt dat alle dieren voor de Ark langs geleid werden en alleen de dieren die zich netjes gedragen hadden werden door de Ark geaccepteerd. Rabbi Avihoe zegt dat alleen de dieren zonder zonde, uit zichzelf naar de Ark kwamen.

Maharsja veronderstelt dat net zoals Noach ontdekte welke dieren niet waren afgeweken door hen te testen op de manieren die Rav Chisda en Rabbi Avihoe noemde, zo ook ontdekte hij welke dieren rein waren en welke dieren onrein, door dezelfde testen toe te passen. Het bewijs dat Noach Tora geleerd had hoeft daar­om niet te worden afgeleid van het feit dat hij in staat was onderscheid te maken tussen reine en onreine dieren, maar van het feit dat Hasjem tegen hem gesproken had in termen van rein  en onrein, want dat werd slechts relevant nadat Tora aan Israël gegeven was.

In dat geval hoefde Noach slechts een oppervlakkige kennis van Tora te hebben betreffende reine en on­reine dieren, om het begrip zelf te kunnen begrijpen, zonder dat hij een grondige kennis nodig had van de wetten, zoals Mosjé, die ze aan het volk moest leren.