Choellien-index


DAF-Notities Nr. 203

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 49a

„Ik zal zegenen die jou zegenen” (Bereisjiet 12:3)

Aan het eind van de priesterzegen (Bamidbar 6:24-26), waarvan Hasjem zegt dat de kohaniem daarmee het volk Israël moeten zegenen, zegt Hasjem: „En ik zal hen zegenen” (Bamidbar 6:27).

Wie zal Hasjem zegenen, het volk of de kohaniem?

Rabbi Jismaël begrijpt eruit dat Hasjem het heeft over de kohaniem. De kohaniem zege­nen Israël en Hasjem zegent de kohaniem.

Rabbi Akiwa daarentegen begrijpt eruit dat Hasjem hiermee bedoelt dat Hij het is die het volk zegent, en dat de kohaniem Zijn agenten zijn, die de zegen van Hasjem doorgeven aan Israël. Krijgen de kohaniem dan zelf geen zegen van Hasjem? Zeker wel, die zegen zit al opgesloten in de belofte van Hasjem aan Awraham „Ik zal zegenen die jou zegenen”  (Bereisjiet 13:3).

Het meningsverschil tussen deze twee geleerden kan, zegt Ijoen Ja’akov als volgt worden begrepen:

Rabbi Jismaël meent dat voordat zijzelf door de Hemel gezegend worden, de kohaniem niet in staat zijn Israël een zegen te geven. Er ontstaat daarom een simultane procedure: Hasjem zegent de kohaniem, zodat hun zegen voor Israël effectief zal zijn.

Rabbi Akiwa ziet de zegen van Hasjem voor de kohaniem niet als een middel om de zegen van de kohaniem voor Israël effectief te maken, noch als een beloning voor het feit dat zij die zegen geven. Volgens hem is het een bevestiging van de zegen.

Volgens beide meningen, wordt niet alleen het Israël gezegend, maar ook de kohaniem. De zegen welke de kohaniem krijgen, zouden zij volgens Rabbi Akiwa ook gekregen hebben als ze geen Joden waren geweest, maar volgens Rabbi Jismaël kunnen alleen kohaniem die zegen krijgen. Daarom wordt dit geval in de Talmoed „Jismaël de kohen, die zijn collega-kohaniem steunt” genoemd.

De belofte die G-d aan Awraham Awinoe gaf: „Ik zal zegenen die jou zegenen”  (Bereisjiet 13:3) is niet beperkt tot de kohaniem, die de Joden zegenen, zoals hen geboden werd. Tosafot citeert een verhaal uit de Jeruzalemse Talmoed, waarin Rabbi Jismaël gegroet werd door een niet-Jood met de traditionele zegenwens voor vrede [Sjalom aleichem]. De geleerde antwoordde: „Het antwoord hierop is al gezegd.” Hij bedoelde dat er eigenlijk geen noodzaak meer was om de zegenwens die hij ontvangen had te retourneren, omdat al in Tora gezegd wordt dat wie de Awraham en zijn nakomelingen zegent, zelf gezegend zal worden [en wie hen vervloekt zal vervloekt worden].

Een nader onderzoek van de Tora-bron voor deze zegeningen dient als steun voor deze uit­breiding ook tot niet-Joden. In zijn commentaar op de Tora wijst Ramban [Nachmanides] erop dat Awraham deze belofte ontving op het moment dat hem geboden werd zijn land en huis te verlaten en naar Erets Jisraël te trekken. Er wordt in Tora geen reden vermeld, waarom de Patriarch deze zegen verdiende, alleen maar omdat hij het ene land verliet om het in te ruilen voor een ander land. Het antwoord, zegt Ramban, is dat G-d op de hoogte was van het feit dat Awraham in zijn geboortestad Oer Kasdiem geweld­dadige weerstand ontmoet had tegen zijn pogingen om het monotheïsme te prediken en dat hij vandaar gevlucht was met de gedachte om naar Erets Jisraël te gaan. Omstandigheden hielden hem op in Charan maar nu zei G-d tegen hem dat hij zijn oorspronkelijk plan moest uitvoeren en naar het Uitverkozen Land gaan, waar hij niet zou worden vervolgd en vervloekt zoals in Oer Kasdiem, maar waar hij zou worden gezegend door iedereen, en zij die hem zegenden zouden op hun beurt door G-d gezegend worden.