Choellien-index


DAF-Notities Nr. 182

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choellien 4b

Een regel voor heersers

„De heerser die luistert naar leugens, al diens dienaren zijn slecht” [Misjlei29:12].

Deze regel van de relatie tussen een slechte heerser en zijn on­der­danen wordt door onze gemara aangehaald, om de religieuze instelling  van de dienaren van de afgodendienende koning van het Koninkrijk Israël te definiëren. Het omgekeerde is van toepassing op de dienaren van de rechtvaardige Koning Jehosjafat, van het Koninkrijk Jehoeda, die door Achav werd uitgenodigd voor een diner  met hem.

Eén en ander is gebaseerd op de simpele toepassing van het vers. Een heerser die luis­tert naar leugens en slechtheid, nodigt zijn dienaren uit om hem te behagen met valsheid, vleierij en nabootsing van zijn slecht gedrag. Daaruit volgt dat een rechtvaardig heerser zijn volgelingen zal inspireren tot rechtvaardigheid.

De commentatoren op Misjlei verklaren dit portret van een slecht heerser als een allegorie van de relatie tussen het hart van een mens en de rest van zijn wezen. Het hart is de heerser, terwijl de intelligentie, verbeelding en al zijn overige lichaamsfuncties de dienaren zijn. Als het hart bevrediging zoekt op basis van passie, dan zal de verbeelding van de mens zich richten op afbeeldingen, zijn intelligentie zal hem een strategie leveren om die bevrediging te bereiken en zijn overige lichaamsfuncties zullen het uitvoeren. Maar wanneer zijn hart ervoor kiest om de wil van G-d uit te voeren dan zullen al deze dienaren zich inspannen om hem te helpen dit doel te bereiken.

In beide, zowel de simpele als de allegorische benadering, sprak Koning Sjlomo alleen over de negatieve zijde van de heerser-onderdaan verhouding, omdat dat het gemakke­lijkst wordt nageleefd met betrekking tot het kwade. En hij liet het aan ons over om te be­grijpen dat de positieve analogie ook waar is.