Choellien-index


DAF-Notities Nr. 206

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 56b

Een wereldstad met alles

„Een wereldstad die alles heeft.” Dit is de lof voor het Joodse volk die volgens Rabbi Meïr zit opgesloten in het Tora-vers „Hij heeft jullie gemaakt en gegrondvest” [Dewariem 32:6]. Deze kwa­liteit van volledig in zichzelf te kunnen voorzien wordt uitgedrukt door het feit dat zijn pries­ters uit hun eigen volk afkomstig waren, in de vorm van Aharon en zijn zonen; zijn konin­gen konden niet worden geïmporteerd uit een ander volk [ibid 17:15] en zijn profeten, zoals Mosjé, zouden voortkomen uit hun eigen midden [ibid 18:15].

De Maharsja wijst erop dat men, om deze historische zelfvoorziening vast te stellen, geen andere bewijzen nodig heeft dan bovengenoemde Tora-verzen. Rabbi Meïr citeert niette­min een vers uit Zacharja [10:4], dat het feit dat Israël voor zijn geestelijke en wereldlijke leiders onafhankelijk is van andere volken, een bron van trots is [de af­han­kelijkheid van onze huidige politieke leiders van andere volken is dus een bron van schaamte (Zwi)].

Dit vers maakt echter alleen gewag van het feit dat „vanuit hun midden zal hun hoeksteen en hun tentharing voortkomen”, een symbolische zinspeling op de koning en de kohen gadol, „en uit hen de strijdboog”, zinspelend op hun onafhankelijkheid van anderen om hun oorlogen te strijden. Er wordt daarin geen toespeling op de profeet gemaakt. Mis­schien was er geen noodzaak voor de profeet om hier de nadruk op te leggen, daar het Zacharja was, een profeet uit zijn eigen volk voortgekomen, die deze profetie verkondigde. Hij diende dus als een levend bewijs dat ook profeten niet hoefden te worden geïmpor­teerd van elders.