Choellien-index


DAF-Notities Nr. 207

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 57b

Bittere vruchten van Anarchie

„In die dagen was er geen koning in Israël en iedere man deed wat goed was in zijn ogen” [Sjoftiem 17:7 (Richteren)].

Deze waarneming van anarchie die er bestond in die periode van de Joodse geschiedenis wordt in onze Gemara gebruikt door Rabbi Acha, de zoon van de geleerde Rava, als een uitdaging tot het experiment dat gedaan werd door Rabbi Sjim’on ben Chalafta, om wetenschappelijk vast te stellen of het waar is, wat Koning Salomo zegt, dat mieren geen koning hebben. R. Chalafta had een groep mieren in een situatie gemanoevreerd, waarbij zij één van hun groep ervan verdachtten, dat hij hen had be­drogen. [Hij had in het heetst van de zomer zijn mantel over een mierenhoop uitgespreid om die schaduw te geven (mieren haten de hitte en prefereren de schaduw volgens Rasji). Eén van de mieren kwam uit de mierenhoop naar buiten en R. Chalafta maakte daar een merkteken  op, zodat hij het diertje later zou herkennen. De mier keerde terug naar het nest en berichtte aan de andere mieren dat er schaduw over het nest gevallen was. Nu kwamen ze allemaal naar buiten, maar R. Chalafta had intussen zijn jas weggehaald en de zon scheen weer ongenadig op de mierenhoop. De andere mieren vielen de eerste mier nu onmiddellijk aan en doodden hem, omdat hij hen misleid had (Zwi).] Het feit dat deze mieren de verdachte leugenaar onmiddellijk aanvielen en dood­den, zonder dat zij daarvoor toestemming hadden gekregen van hun vorst, over­tuigde de geleerde dat mieren geen vorst hebben en hij veronderstelde dat Koning Salomo  op basis van een soortgelijk experiment tot dezelfde conclusie was gekomen.

Rav Acha, de zoon van Rava zette vraagtekens bij dit experiment. Misschien, zo redeneerde hij, hadden zij wel een koning en gaf hij hen onmiddellijk toestemming om de leugenachtige mier te doden. Of misschien hadden zij van hun koning toestemming om iedere mier die de spot met hen dreef, te doden. Of misschien waren zij net in een interim periode tussen twee koningen, zoals er geschreven staat in bovengenoemd vers in Sjoftiem. Het is beter vertrouwen te hebben dat de stelling van Salomo gebaseerd was op G-ddelijke inspiratie in plaats van op menselijke wijsheid [Toen Koning Sjlomo zijn boek schreef, werd hij door „roeach hakodesj” geïnspireerd, aldus Rasji, en dus mag men op zijn woorden vertrouwen].

(Vrij bewerkt door Zwi)