Choellien-index


DAF-Notities Nr.208

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien 59b

Het gebrul van de leeuw

„Als een leeuw brult, wie is dan niet bang; wanneer de Eeuwige G-d spreekt, wie kan niet profeteren?” [Amos 3:8].

Deze vergelijking van G-d met een leeuw, gebruikte de Romeinse keizer [Hadrianus] als instrument om Rabbi Jehosjoe’a ben Chananja uit te da­gen. „Wat is Zijn macht waard? een soldaat kan een leeuw doden,” zei Caesar minachtend.

De leeuw waar de profeet het over heeft, zei R. Jehosjoe’a, is geen gewone leeuw, maar een ontzagwekkend schepsel dat leeft in het oerwoud van Bei Ilai [De naam van een oerwoud, aldus Rasji]. Ondanks de waarschuwing van de geleerde dat hij deze machtige leeuw niet zou kunnen zien, stond de Romeinse heerser erop dat R. Jehosjoe’a de leeuw naar hem toe zou brengen. Rabbi Jehosjoe’a bad vervolgens tot de Hemel dat de leeuw zijn oerwoud zou verlaten en naar Rome zou komen, waar dit gesprek plaats vond. Vreselijke dingen gebeurden er in Rome na iedere brul van de leeuw, iedere keer dat hij dichterbij kwam, totdat de keizer tenslotte smeekte dat de geleerde zou bidden dat het schepsel zou terugkeren naar zijn jungle.

Maharsja legt uit dat de Romein zich verwaand verbeeldde dat er geen macht sterker was dan hij, en als de G-d van de Hebreeërs slechts met een leeuw te vergelijken was, dan was hij, machtige krijger, in staat om hem te overwinnen. Door de machtige leeuw uit zijn oerwoud naar Rome te commanderen om dat te terroriseren, was een gelegenheid voor de geleerde om G-ds macht voelbaar te demonstreren. Het rechtvaardigde niet alleen de woorden van de Profeet over de vrees die het gebrul van een leeuw uittoefent maar diende ook als een uitdrukking van G-ds vergeldingskracht, zoals de profeet in een eerder vers al noemde [ib. 3:6]: „Kan er een ramp gebeuren in de stad, die G-d niet veroorzaakt heeft?”

Het is interessant om op te merken dat de Maharsja een unieke interpretatie toevoegt aan het bovengenoemde vers: „Wie kan niet profeteren?” schrijft hij, slaat niet alleen op de onmogelijkheid van de profeet om aan de wereld het woord van G-d te verkondigen, maar ook de onmogelijkheid van het volk, die zijn profetie hoort, om daar niet met dezelfde angst op te reageren als zij zouden doen op het gebrul van de leeuw.