Choellien-index


DAF-Notities Nr. 183

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choellien 5a

Voedsel voor vogels

Nadat hij een droogte had aangekondigd naar aanleiding van de afgoderij van Koning Achav van Israël, werd de Profeet Eliahoe door Hasjem erop uitgestuurd om zijn toevlucht te zoeken in een veraf gelegen streek, waar voedsel voor hem op wonderbaarlijke wijze door raven zou worden gebracht. De raven brachten hem inderdaad brood en vlees, iedere ochtend en avond. Maar waar brachten zij het vlees vandaan en hoe wist de profeet dat het kosjer was?

Dat vlees, zegt de Talmoed, kwam uit de keukens van Achav. Maar Achav was een toegewijd afgodendienaar, dus hoe kon vlees, afkomstig van een door hem, of door zijn afgoden dienende dienaren geslacht dier, als kosjer beschouwd worden?

Dit wordt beschouwd als een steun voor de mening  van Rabbi Annan, in naam van de geleerde Sjmoeël, dat de sjechita van een afgodendienende Jood kosjer is. Maar de Talmoed verwerpt dit bewijs, omdat het heel goed mogelijk was dat het vlees niet kosjer was, maar uitsluitend was toegestaan in deze buitengewone situatie, die door Hasjem veroorzaakt was, toen Hij de profeet vertelde dat hij door raven gevoed zou worden.

Tosafot werpt een interessant probleem op: Aan de aanvankelijke veronderstelling van de Talmoed dat het vlees van een dier, dat door een afgodendienende Jood kosjer is, zit een probleem: hoe kon de profeet vlees eten dat niet meer onder toezicht stond, er is immers een rabbijns verbod op het eten van zulk vlees, uit vrees dat de vogels het hebben inge­ruild voor niet-kosjer vlees van de niet-Joden. De oplossing van Tosafot is dat Eliahoe vertrouwde op de G-ddelijke belofte om hem te voeden en dat zulk vlees niet afkomstig zou zijn van niet-Joden. Maar de Talmoed aarzelde aanvankelijk om te suggereren dat deze belofte ook inhoud dat voor vlees, dat geslacht werd door een Joodse afgodendie­naar, is toegestaan.