Choellien-index


DAF-Notities Nr. 209

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelin 60b

Volksverhuizing

Joseef, vertelt de Tora ons, voerde een enorme volksverhui­zing uit in Egypte, in zijn functie van onderkoning van Egypte. Nadat hij al de bezittingen in het land van hun eigenaars had opgekocht in ruil voor graan om hen te voeden gedurende de tijd van hongersnood die Egypte getroffen had, „verplaatste hij het volk van de ene stad naar de andere en van de ene uiterste grens van Egypte naar het andere uiterste” [Bereisjiet 47:21].

Op het eerste gezicht was het motief van Joseef om dit te doen, om de bewoners van Egypte te demonstreren dat zij niet langer meer de eigenaars waren van hun land, maar dat het nu het eigendom van de koning was. Daar het onwaarschijnlijk is dat Tora dit al­leen maar vertelt om ons de politiek scherpzinnigheid van Joseef te demonstreren, merkt de Gemara op dat er een verborgen reden moet zijn en de vraag is dan: wat was die reden.

„Opdat de Egyptenaren zijn broers niet als vreemdelingen zouden behandelen” is het antwoord in onze Gemara en dat antwoord is ook wat Rasji citeert in zijn commentaar op de Choemasj.

Rabbijn Sjlomo Ephraim Lunshitz (1549-16190 suggereert in zijn commentaar op de ChoemasjKli Jakar” dat Joseefs zorg was dat de Egyptenaren op een zekere dag zich tegen de Hebreeërs in hun midden zouden keren en het feit dat zij vreemdelingen waren, zouden exploiteren als een teken dat G-d niet geïnteresseerd is in hun welvaart, want Hij heeft hen geen eigen stuk land gegeven. Door de Egyptenaren zelf in een situatie van landloze vreemdelingen te plaatsen in hun nieuwe omgeving, was Joseef in staat zulke beschuldigingen, die zijn broers schade hadden kunnen berokkenen, te voorkomen.

De Kli Jakar biedt twee andere verklaringen voor Joseefs gedrag. De ene is, dat iemand die zelf nooit een vreemdeling is geweest, niet in staat is om empathie te voelen met de moeilijkheden van een vreemdeling. Daarom wilde Joseef de Egyptenaren blootstellen aan deze ervaring zodat zij meer sympathiek zouden staan tegenover de Hebreeuwse vreemdelingen in hun midden.

Een andere benadering is gebaseerd op het feit dat Ja’akov en zijn familie zich stevig gevestigd hadden in Gosjen op uitnodiging van Par’o. Wat zou er echter gebeuren wanneer een of andere toekomstige koning een onderzoek zou instellen naar de histori­sche voorvaderlijke rechten op eigendom en tot de ontdekking zou komen dat de Hebree­ers geen voorvaderlijke wortels in hun steden hadden? Joseef wilde het daarom veiligstellen dat niemand van de bewoners in Egypte zou wonen in steden waar hun voorvaderen ook gewoond hadden, zodat Ja’akov en zijn nakomelingen veilig zouden zijn.