Choellien-index


DAF-Notities Choelien 66b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choelien Daf 66b

Ter meerdere eer en glorie

Eén van de meest bekende passages bij Joden die regelmatig dawwenen en Tora studeren is datgene wat gezegd wordt aan het einde van het Oewa LeTsion-gebed:

„Hasjem wil om Zijn gerechtigheid Tora groot en prachtig maken” [Jesjajahoe 42:21].

Er zitten vele demensies aan dit idee om Tora groot te maken. In onze Gemara wordt het gebruikt om uit te leggen waarom Tora zich zoveel moeite getroostte om ons te leren dat als een vis schubben heeft, dat een definitief bewijs is dat hij kosjer is. Hoewel er simpel „kaskesset” had kunnen staan en daarbij vertrouwend op een andere passoek waar dat woord als „schubben” wordt gedefiniëerd, onderstreept Tora dit door het woord „vinnen” op te nemen als teken van kasjroet. Dit lijkt overbodig, want iedere vis die schubben heeft, heeft ook vinnen. Het staat er alleen maar om te verzekeren dat wij kaskesset niet zullen vertalen met „vinnen” en ons op dat teken zouden verlaten voor kasjroet. Dit schijnbare overbodige bewijs staat er ter meerder eer en glorie van de Tora die wij bestuderen.

Rabbi Chananja ben Akasjia [Traktaat Malkoet 23b] gaat wat dieper in op dit perspectief. Omdat G-d Israël in de gelegenheid wilde stellen om voor meer verdiensten beloond te worden, gaf Hij hen veel Tora en vele mitswot, merkt hij op in de marge van deze passoek.

Terwijl deze Gemara zich concentreert op de rol van G-d bij de vergoting van de rijkwijdte van Zijn Tora, biedt Metsoedat David in zijn commentaar op Jesjajahoe een andere interpretatie. Nadat de Profeet degenen met Tora-kennis gehekeld heeft omdat zij doof en blind zijn voor de fouten van hun generatie, en te kort geschoten zijn om een hand uit te steken naar hun mede Joden om hen dichterbij te brengen, herinnert hij hen eraan dat de reden waarom zij gezegend werden met kennis, was dat G-d wilde dat zij rechtvaardigheid zouden brengen tot anderen en om zo de eer en glorie van Tora de vergroten door die aan anderen te ondewijzen.