Choellien-index


DAF-Notities Nr. 184

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choellien 6b

De koperen slang

Toen de rechtvaardige Koning Chizkiahoe zijn afgodendie­nen­de vader, Achaz, opvolgde, begon hij alle sporen van de af­goderij, die zich tijdens de regering van zijn vader over het land had verspreid, te verwijderen. Eén van deze acties wordt beschreven als: „Hij brak de koperen slang, die Mosjé gemaakt had, in stukken, want tot die tijd verbrandden de Israë­lie­ten er reukwerk voor.  En hij noemde het Nechoesjtan” [II Melachiem 18:4].

De koperen slang was door Mosjé gemaakt op bevel van G-d, nadat Hij Mosjé’s gebeden gehoord had om een einde te maken aan de plaag van de giftige slangen, die naar die mensen gestuurd waren, die opstandig tegen Hasjem en Mosjé gesproken hadden, toen zij genoeg kregen van hun reis door de woestijn. Daarop werd door Mosjé een koperen slang gemaakt en die werd op een staf gezet. Ieder die door een slang gebeten was, moest naar de koperen slang kijken en dan was hij genezen [Bamidbar 21:4-9].

Lang na dit incident werd de koperen slang beschouwd als een soort monument voor dit wonder dat had plaats gevonden in de dagen van Mosjé. Maar toen afgoderij zo populair werd, ontstond het idee dat deze geneeskrachtige werking van de koperen slang een aanwijzing was voor zijn G-ddelijke kracht en het werd al spoedig de gewoonte om er wierook voor te verbranden. Chizkiahoe besloot dat het gevaar dat de koperen slang vormde als voorwerp van afgoderij, opwoog tegen zijn waarde als herinnering aan het wonder. Daarom vernietigde hij het en brandmerkte het met de honende naam „nechoesj­tan”, hetgeen een verkleinwoordje is voor koper, alsof hij daarmee aan zijn misleidde on­derdanen wilde zeggen dat een klein koperen ding geen kracht van zichzelf heeft en daar­om niet verdient om te worden aanbeden.