Choellien-index

DAF-Notities Choelien 70b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

De bescheidenheid van een knoflook

De buitengewone bescheidenheid van de Talmoedge-leerden komt op een interessante wijze tot uitdrukking bij een dialoog tussen Rabbi Jonatan en de geleerde Sjim’on ben Azzai over een Tora-bron  voor onreinheid ten gevolge van de aanraking van het kadaver van een kosjer dier, dat niet geslacht was [het lijk van ieder dier dat niet geslacht werd, maar op andere wijze is doodgegaan, brengt toema – onreinheid – over bij aanraking, dus ook de ongeslachte lijken van kosjere dieren].

Nadat Rabbi Jonatan geweigerd had om op verzoek van Ben Azzai een bron voor die onreinheid te noemen, vroeg deze laatste hem, wetende dat er een nauwe relatie bestond tussen Rabbi Jonatan en Rabbi Jismaël: „Wat zegt Jismaël hierover?”

Bij het horen van de bron, die geciteerd wordt in naam van die grote Geleerde, riep Ben Azzai uit: „Wat jammer voor jou, Ben Azzai, dat je niet bij R. Jismaël geleerd hebt!”, zichzelf daarmee beklagend.

Om de betekenis van deze uitlating te waarderen, moeten we een andere uitspraak van deze briljante geleerde noemen, die op zo jonge leeftijd overleed, dat hij nimmer semicha haalde en daarom nooit Rabbi genoemd wordt. Ben Azzai verklaarde eens: „Alle geleer­den van Israël, slechts één uitgezonderd, zijn voor mij als de schil van een knoflook” [Bechorot 58a].

De vergelijking met de schil van een knoflook wordt als volgt verklaard: het vruchtvlees van de knoflook is veel scherper dan de schil, maar zonder deze buitenste laag gaat de smaak verloren. Ben Azzai was zich ervan bewust dat zijn logica scherper was dan van bijna al zijn tijdgenoten, maar hij realiseerde zich ook dat het hun superieure kennis was, die zijn scherpheid bewaarde, net zoals de schil van de knoflook de scherpte van het vruchtvlees bewaart. Dit kan heel goed de reden zijn dat Ben Azzai er zijn spijt over uitdrukte dat hij nooit de gelegenheid had gehad om onder Rabbi Jismaël te leren.