Choellien-index


DAF-Notities Choelien 74b

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het mysterie van het lam

Tora gebiedt ons om een eerstgeboren ezel te lossen met een lam en dat aan een kohen te geven [Sjemot 13:13].

Kan men hiervoor een ben pakoea gebruiken – het eerst­geboren lam dat nog in het moederdier zat toen dat geslacht werd?

Volgens Rabbi Meïr vereist zo’n dier een eigen sjechita en kan het niet beschouwd worden als reeds te zijn geslacht door de sjechita van de moeder. Daardoor is er volgens hem geen probleem om zo’n lam te gebruiken voor de lossing, want het is een volledig ont­wikkeld lam. De mening van de andere geleerden echter, die beslissen dat dit lam geen eigen sjechita meer nodig heeft, omdat de sjechita van de moeder voldoende is voor alles wat zich in haar bevindt, veroorzaakt een meningsverschil tussen de latere geleerden.

De geleerde Mar Zoetra beweert dat zo’n lam niet gebruikt kan worden voor lossing want het zelfde woord lam dat hier gebruikt wordt, wordt ook gebruikt voor het lam dat geslacht wordt als korban Pesach [Wajjikra 12:2].

Net zoals een ben pakoea niet geschikt is als korban Pesach, zo kan het ook niet gebruikt worden als lossing.

Maar waarom is een ben pakoea niet geschikt als korban Pesach?

Rasji geeft twee verschillende verklaringen. De eerste is, dat geen enkel dier dat verlost werd met behulp van een keizersnee en dus niet door de baarmoederhals geboren werd, geschikt is als offerdier en daarom ook niet geschikt is voor lossing. Dit wordt verworpen door Tosafot, want dat laat ons zitten met het probleem hoe Rabbi Meïr wel zo’n dier geschikt acht voor lossing. De andere verklaring is, dat aangezien dit dier volgens de geleerden beschouwd kan worden als te zijn geslacht, wij het beschouwen als „vlees in het mandje”, hetgeen niet gebruikt kan worden om te lossen.