Choellien-index


DAF-Notities Nr. 185

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Choellien 7a

Rivier-praat

Op weg om de belangrijke mitswa van het vrijkopen van ge­van­genen te verrichten, ontdekte Rabbi Pinchas ben Jaïr dat zijn pad geblokkerd werd door de ondoorwaadbare rivier Ginai.

„Split je wateren, Ginai,” verzocht de geleerde, „zodat ik mijn weg mag vervolgen.”

„Jij gaat voort om de wens van je Meester uit te voeren”, antwoordde de rivier onwillig, „en ìk stroom verder om de wil van mijn Meester uit te voeren. Er is geen reden om aan te nemen dat jouw missie zal slagen [want de kapers gaan misschien niet akkoord met de afkoopsom – Rasji], terwijl ik zeker wel zal slagen in de mijne [de G-ddelijke opdracht voor alle rivieren om naar de zee te stromen – Rasji].”

Pas nadat de geleerde gedreigd had om de rivier te laten opdrogen, splitste het tenslotte zijn wateren om de geleerde met zijn gezelschap door te laten gaan.

Het probleem met dit en met andere onderdelen van de Talmoed betreffende het spraak­ver­mogen van levenloze dingen, zoals de rivier hier, ­wordt door Tosafot opgelost door middel van twee verschillende benaderingen:

1. Het was de engel die belast was met zeeën en rivieren met wie de geleerde sprak. Maharsja breidt dit idee uit door de verklaring van de grassen ten tijde van de Schepping te verklaren [Choellien 60a]. Ieder grassprietje, zeggen onze geleerden heeft een engel die ervoor zorgt en die het beveelt uit de aarde te groeien. Het waren deze engelen, zo concludeert hij, die spraken, net zoals de rivier-engel Ginai hier deed.

2. Er vond helemaal geen dialoog plaats. De Talmoed beschrijft  het gedach­ten­proces van Rabbi Pinchas, waarom de rivier onwillig was  om zijn wateren te splitsen. Hoewel deze benadering misschien wat moeilijk is toe te passen op de verklaringen van de grassen, voorziet het in een perfecte verklaring voor de dialoog tussen Rabbi Eliëzer ben Doerda’i en de bergen, hemel, aarde, zon, maan en sterren [Awoda Zara 17a].