Choellien-index


DAF-Notities Choelien 89a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het aanbod dat geweigerd werd

De Tora [Bereisjiet 14:22-24] verteldt hoe Awraham Awinoe [onze aartsvader Abraham] van de koning van Sedom weigerde de buit van de oorlog, die Awraham met zijn mannen voor hem ge­wonnen had, als geschenk aan te nemen. Awraham vroeg alleen dat er geen betaling geëist zou worden voor het voedsel dat zijn manschappen tijdens de oorlog gegeten hadden, en dat de mannen die met hem mee ten strijde waren getrokken – Aner, Esjkol en Mamree – hun aandeel in de oorlogsbuit zouden krijgen.

Rav Abba zag in Awrahams verzoek betreffende het geconsumeerde voedsel een bron voor het gezegde dat „het moeilijk is om gestolen bezit dat geconsumeerd is, terug te geven, want zelfs grote tsaddikiem voelen aan dat dit onmogelijk is.”

Marasja wijst erop dat er zeker geen element van diefstal bij betrokken zou zijn geweest als Awraham iets van de bezittingen van de koning van Sedom, die hij voor hem gered had door de veel machtigere strijdkrachten van diens vijanden te verslaan, geaccepteerd had. Anderzijds zou Awraham nimmer voor zijn bondgenoten een aandeel van deze bezittingen gevraagd hebben. De reden waarom er geen diefstal bij betrokken was, is dat de koning reeds gewanhoopt had ze ooit terug te krijgen, zodat iedereen er recht op had die de moeite zou nemen ze terug te krijgen. Bovendien had de koning op eigen initiatief afgezien van iedere claim op zijn bezittingen door het allemaal Awraham aan te bieden.

Awraham echter, met zijn uitermate grote rechtvaardigheid, weigerde enig geschenk, alsof zij wel waren gestolen. Om terug te betalen wat zijn dienaren reeds hadden opgegeten echter, was te moeilijk. Dit dient als een leidraad om te begrijpen hoe moeilijk het is voor iemand die werkelijk iets gestolen heeft om behoorlijk tesjoewa te doen [berouw te hebben] voor datgene wat hij gestolen en geconsumeerd heeft. Om de praktische consequentie van dit probleem aan te tonen, refereert de Maharsja aan een Gemara in Bawa Kama [84b] waar een verhaal verteld wordt, dat de aanleiding vormde voor een rabbijns decreet. Een dief overwoog eens serieus zijn gedrag te verbeteren maar werd ontmoedigd door zijn vrouw, die hem waarschuwde dat wanneer hij schadevergoeding zou betalen voor alles wat hij ooit gestolen had, hij volkomen berooid zou achterblijven. Toen dit onder de aandacht kwam van de geleerden, verklaarden zij dat men geen betaling mag aannemen van een dief die berouw toont en zijn leven wil beteren maar die het gestolene niet langer in zijn bezit heeft.