Choellien-index


DAF-Notities Choelien 91a

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Kasjroet in Egypte

Toen Joseef, de onderkoning van Egypte, wiens ware identiteit nog onbekend was bij zijn broers, die hem in slavernij hadden verkocht, hen verwelkomde toen zij terugkeerden met hun jongste broer Benjamin, gaf hij aan de opzichter over zijn huis de op­dracht: „Breng de mannen naar huis, slacht wat geslacht moet worden en maak het gereed, want de mannen zullen deze middag bij mij eten” [Bereisjiet 43:16].

De woorden „slacht en maak gereed” wordt door de geleerden opgevat als een opdracht om aan zijn gasten de plaats [van de hals] te tonen waar het dier geslacht zou worden en om in hun aanwezigheid de gid hanasjee [de zenuw van de dij] te verwijderen. De verwijdering hiervan was noodzakelijk, zo legt de Gemara uit, volgens de mening van Rabbi Jehoeda [in Choelien 100b] daar de gid hanasjee reeds verboden was voor de nakomelingen van Ja’akov vanaf het moment dat deze aartsvader op die plaats gewond werd in zijn gevecht met de beschermengel van Esav [Bereisjiet 32:33].

Tosafot werpt hier een interessante vraag op: De Gemara concludeert hier dat de gid hanasjee reeds verboden moet zijn geweest, gebaseerd op Joseefs aandringen om die te verwijderen, ter bevrediging van de kasjroetvereisten van zijn broers. Maar is het niet mogelijk dat zelfs als de gid hanasjee pas verboden werd nadat Tora gegeven werd, zoals de Geleerden beweren die van mening verschillen met Rabbi Jehoeda, dat de zonen van Ja’akov in de voetsporen van de Aartsvaderen traden en reeds de wetten van Tora volgden voordat die op Sinaï gegeven werd? Was het ten slotte niet zijn bedoeling om hen te laten zien dat er een correcte sjechita gedaan werd, overeenkomstig de voorschriften van Tora?

Eén van de oplossingen die Tosafot biedt is dat Joseef hen niet de doorgesneden hals van het dier liet zien, om hen te tonen dat het dier naar behoren „gesjecht” was, maar alleen dat het dood was, iets dat ook vereist is voor Bnei Noach, want één van de zeven Noachidische wetten zegt dat het verboden is een lichaamsdeel van een nog levend dier te eten. Deze benadering wordt verklaard door Ramban in zijn commentaar op de Choemasj [Bereisjiet 26:5], waar hij schrijft dat onze aartsvaders de latere Tora-wetten alleen hielden toen zij in Erets Jisraël woonden. Dus toen zij in Egypte waren, hadden zij daar dispensatie van, maar hen was wel verboden om de gid hanasjee te eten, zoals alle Bnei Noach.

[Wanneer, zoals de Gemara leert, het verbod van de gid hanasjee reeds gold voor de zonen van Ja’akov, dan gold het ook voor Joseef en zijn familie. De Midrasj vertelt dat de bovengenoemde opzichter over het huis van Joseef, aan wie hij de hier genoemde opdracht om te slachten en te bereiden gaf, de zoon van Joseef, Menasje was. De Anaf Joseef vraagt dan ook waarom Joseef aan Menasjee moest opdracht geven om de gid hanasjee te verwijderen. Dat gebeurde dan toch altijd wanneer er voor Joseef en zijn huisgezin geslacht werd? De Anaf Joseef wijst erop dat de Midrasj Rabba Bereisjiet 92:4 zegt dat het Erev Sjabbat  was en dat Joseef tegen de bediende zei dat hij ervoor moest zorgen dat de gid hanasjee vóór Sjabbat verwijderd zou zijn, omdat zijn broers die de volgende dag niet konden verwijderen, daar zij Sjabbat hielden.]